Hoofdstuk 29

 

20180116_212916-COLLAGE

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 29 – Het glazen huis

Ik was dus inmiddels op het dak van het vogelhuisje geklommen en overzag de tuin.

Aurélia stond, heel onvoorzichtig, midden op het gras te kijken naar mijn capriolen. Ik was best trots op mezelf dat de klim me gelukt was.

Enfin, ik zat dus OP dat huisje, maar wilde IN dat huisje zien te komen. Voorzichtig loerende over de dakrand, die was wel glad zeg, zag ik dat er in dat houten huisje nog een glazen huisje zat. Hmmmm, dat vormde een probleem, want glas is zo verschrikkelijk glad.

Voorzichtig liet ik mijn achterpootjes over de dakrand glijden en tegelijk probeerde ik met mijn staart ergens houvast te krijgen. Zowaar, mijn staart had beet. Toen dorst ik me verder te laten zakken. Met mijn voorpootjes hield ik me zo goed mogelijk vast. Met veel moeite en bijna vallend lukte het me uiteindelijk om in het glazen huis te komen. En wat ik daar vond …… Een schatkamer aan lekkernijen. Pindakaas, heel veel en in die pindakaas zaten zaadjes en insecten. Die insecten hoeven niet zo voor mij, dus die kieperde ik zo uit het glazen huis. Maar er lagen ook van die overheerlijke zonnebloempitten. Ik jubelde naar Aurélia dat ze ook naar boven moest komen. Aurélia riep dat ze dat echt niet durfde, dus bleef zij op de uitkijk staan.

Geloof het of niet, maar ik heb me klem gegeten. En zat net uit te buiken en te bedenken hoe ik iets van al dit lekkers voor Beau mee kon nemen. Plots waarschuwde Aurélia me dat zij van het grote huis er aan kwam. Ik kon geen kant meer op. Maar zelfs als Aurélia eerder had kunnen waarschuwen; zo makkelijk kon ik niet uit dat glazen huis weg komen. Het is dan wel open aan de voorkant, maar dat is dan ook alles.

Ik zat dus gevangen in dat glazen huis, met achter me een walhalla aan pindakaas en zij van het grote huis kwam steeds dichterbij. Nu was ze altijd aardig tegen me geweest, dus moest ik er het beste maar van hopen.

Ze kwam dichter en dichterbij en uiteindelijk stond ze voor het glazen huisje en keek me recht aan. Ik kon geen kant op, dus keek haar ook maar recht aan. Mijn hart ging zo tekeer, dat zij het misschien wel kon horen.

Nadat ze wat tegen me had staan praten, waarover geen idee, maar ik hoorde wel dat ze me weer MUIS noemde, draaide ze zich om en liep weg.

Nu had ik natuurlijk verstandig moeten zijn en het glazen huisje moeten verlaten, maarrrrr …. die pindakaas hè!

Toen hoorde ik Aurélia weer roepen dat zij van het grote huis er alweer aan kwam. Dit keer had ze weer zo’n flitsapparaat bij zich. Bleef weer vlak voor mijn neus staan en deed met dat apparaat klik, klik, klik en liep weg.

Twee keer in korte tijd dat mens zo dicht voor mijn neus leek me, ondanks de pindakaas, meer dan voldoende. Als een soort lemming heb ik me over de rand van het glazen huis gestort en kwam pardoes in de forsythia struik terecht. Au, dat was niet prettig.

Samen met Aurélia ben ik toen naar huis gelopen, waar Beau al ongeduldig op ons zat te wachten. Aurélia vond het nodig om in geuren en kleuren, her en der nog wat aangedikt, ons avontuur te vertellen. Beau werd me toch kwaad omdat ik me zo verschrikkelijk egoïstisch had gedragen vanwege die pindakaas. Dat ik niet aan ons kleine muisje had gedacht enz enz. Beau was razend. Aurélia is toen maar snel naar huis gegaan.

Die avond hadden Beau en ik onze eerste hevige ruzie.

 

Hoofdstuk 28

 

 

 

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 28 – Wat ruikt daar zo lekker?

Beau zorgt zo ontzettend lief voor Hortense en mij, soms wel iets te. Hij is wat behoudend in zijn opvattingen en ziet het als zijn taak voor vrouw en kind te zorgen. Zodoende ik kom de laatste dagen weinig buiten. Net na de geboorte van Hortense was dat ook wel even prettig natuurlijk, maar het binnen zitten begon me een beetje te benauwen. Ik wilde weer naar buiten. Beau was het daar nog niet zo mee eens,  want hoe moest het dan met Hortense als ze eten wilde hebben. Hij kon haar moeilijk zaadjes voeren.

Na een goed gesprek met Beau begreep hij ook wel dat de muren van ons holletje op me af kwamen en ik niet binnen kon blijven tot Hortense zelf haar  kostje bij elkaar kon scharrelen. Dus nam Beau de zorg voor Hortense voor een paar uur van mij over. Nadat Hortense haar buikje vol had gedronken, kon moeder op stap.

Samen met Aurélia liep ik door de tuin. Heel voorzichtig natuurlijk, want we wilden die rot kat niet tegen het lijf lopen. Na wat zaadjes gesnoept te hadden en vers water uit het kikkerpoeltje te hebben gedronken liepen we samen terug naar mijn huisje, want Aurélia wilde nog even bij Hortense kijken. Vlak bij mijn huisje vingen wij een heerlijke geur op. Wild om ons heen loerende zagen we …. niets. Wat gek, want we roken het toch echt. Hoe hoger we ons neusje hielden hoe sterker de geur, dus het moest wel van boven komen. We zagen wel van die bolletjes hangen voor de vogels, maar die vinden we alleen te eten bij gebrek aan iets beters. En lekker ruiken ze ook niet echt.

Vlakbij die bolletjes hangen wel twee lavendelblauwe huisjes voor de vogeltjes. Die geven Aurélia altijd een gevoel van heimwee, net als het schilderij met die bosjes lavendel, wat naast die huisjes hangt. In de Provence hebben veel luiken en deuren ook die kleur. Na de dood van mijn ouders praat ze trouwens steeds vaker over terug gaan naar de Provence.

Die huisjes hangen wel heel erg hoog en die heerlijke geur MOET daar wel vandaan komen. De enige manier om er te komen is via de muur. Klimmen is dan de enige optie. Maar goed dat Beau het niet kan zien, want die zou wel heel erg boos op me zijn. Onverantwoordelijk gevaarlijk voor een jonge moeder.

Gelukkig heb ik scherpe nageltjes en waren de stenen van de muur ruw. Langzaam klom ik naar boven. Wel een beetje eng hoor, zo hoog. Aurélia stond beneden te roepen dat ik heel voorzichtig moest zijn.

Na lang en moeilijk klimwerk ben ik boven gekomen en zat ik op het huisje. Wat een prachtig uitzicht had ik hier. Nu kon ik zien hoe hij en zij van het grote huis de tuin bekeken. De geur kwam inderdaad vanuit het huisje. Maar nu was het nog een hele toer om in dat huisje te komen.

Hoofdstuk 27

 

img1511302806342

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 27 – Ze is er!

Vanaf vandaag zijn wij de trotse ouders van een dochter

Wij noemen haar

Hortense Byou

Juweel van de Tuin

Bij de geboorte woog ze ongeveer 0,98 gram

U bent van harte welkom om ons juweeltje te komen bewonderen

Henriëtte en Hortense doen ’s middags wel een dutje

Henriëtte en Beau

Wij wonen met onze dochter in de balk achter in de tuin van het grote huis

IMG_20171209_125619~2

Afgelopen nacht werd me duidelijk waarom ik me niet zo lekker had gevoeld. Hihihi, ons kleine muisje kondigde haar komst aan.

Je kunt het geloven of niet, maar het is het allermooiste muisje op aarde en ze is onze dochter. Nu geloof ik dat alle ouders dat zeggen over hun kind, maar in dit geval is het echt zo. Ze is zo klein, zo perfect, zo compleet. Nou ja compleet ….. ze is natuurlijk nog wel doof en kaal en haar oogjes zijn nog dicht, maar dat is normaal. Ik geloof vast dat ze over een dag of 7 net zo’n mooi vachtje krijgt als Beau.

Beau kan niet ophouden met staren naar ons kleintje. Hij is wat je noemt in de ban van de muis. Hoteldebotel, totaal verliefd.

Zoals we al eerder hebben laten doorschemeren hebben we besloten haar naar mijn moeder, die Hortense heette, te vernoemen. Nadat Mamma op zo’n tragische manier om het leven is gekomen, leek dit ons toch wel een heel mooi eerbetoon.

Byou was een idee van Beau, omdat ze zo beeldschoon is, echt een juweeltje. De kroon op ons geluk na alle ellende die we de afgelopen tijd hebben meegemaakt. En het klinkt ook zo mooi, zo Frans.

Je snapt dat ik het daar meteen mee eens was. Wat een ontzettende lieverd is die Beau toch. Ik denk dat ik daardoor misschien nog wel meer van hem houd.

Ik hoop echt dat dit het begin is van een blije, gelukkige periode.

Het maakt me alleen ook wel een beetje verdrietig, dat mijn ouders het niet meer mee hebben mogen maken dat ze grootouders zijn geworden van ons mooie, kleine muisje.

IMG_20171215_145046

Hoofdstuk 26

 

 

 

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk  26 – Ik voel me niet zo lekker

Ik weet niet wat het is vandaag, maar ik ben niet vooruit te branden. Vannacht kon ik ook al niet slapen. Beau mopperde ook steeds dat ik niet zo moest woelen en draaien. Maar dat lukte me gewoon niet.

Vanmorgen toen ik wakker werd, nadat ik toch een uurtje of wat had geslapen, was ik zo moe, dat ik haast niet de moed bij elkaar kon schrapen om naar buiten te gaan. Eerst maar even mijn vachtje en staart opgepoetst. Na zo’n nacht woelen en draaien zie je er niet uit. Beau was al vroeg op pad om eten te zoeken, dus ik neem aan dat zij van het grote huis niets lekkers op de balk had gelegd. Het was ook wel erg vroeg, dus misschien kwam het nog.

Eigenlijk heb ik niet de moed om naar buiten te gaan. Ik heb al een paar keer even om het hoekje gekeken of Beau er al weer aan kwam. Helaas.

Was mijn moeder er nog maar. Zij zou wel weten was er aan de hand was. Zij zou me kunnen vertellen wat ik eraan zou kunnen doen.

Juffrouw Van der Spits weet het misschien ook wel, maar ik heb even geen zin om haar te raadplegen. Dan gaat ze zich meteen weer met van alles en nog wat bemoeien. Als die spitsmuis zich belangrijk voelt is ze niet te houden. Enfin, dat weet je ook wel. Hoe heeft ze zich niet in mij vast gebeten toen ik op vakantie naar de Provence wilde.

“Iets” zegt me dat ik maar in ons holletje moet blijven. Geen idee wat er met me aan de hand is, maar ik voel me onrustig en nerveus.

Misschien dat ik ons holletje maar even lekker ga opruimen. Daar knap ik meestal wel weer van op. Ik hoop dat Beau straks wat te eten meebrengt, dat helpt vast ook wel.

Vandaag is niet mijn dag, hoor. Ik voel me niet zo lekker.

 

Hoofdstuk 25

20180115_175601-COLLAGE

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 25 – Wat een lef!

Tot overmaat van ramp kwam er een mens het huis binnen toen juffrouw Van der Spits die katten de stuipen op het lijf joeg.

Nog een gevaar, dat kon er ook nog wel bij. Dat mens pakte het bakje met knabbels en juffrouw Van der Spits op om het naar buiten te brengen. De adrenaline gierde juffrouw Van der Spits toch al door de aderen, dus dat kon er ook nog wel bij.  Ze trakteerde dat mens op een luid gepiep en beet venijnig naar haar vingers. Dat zou haar wel leren!

Het mens liet van schrik het bakje vallen en juffrouw Van der Spits en de brokjes rolden door de keuken. Daarop zag een van een katten haar kans schoon en deed een sprong naar Juffrouw van der Spits, die inmiddels alweer op een brokje zat te knabbelen. Wat een lef!

Net op tijd kon juffrouw Van der Spits wegschieten, de keuken uit en in de kamer snel achter de bank wegkruipen.

Dat mens zag de bui al hangen, een muis, wonend in de bank, dat worden natuurlijk ik-weet-niet-hoeveel muizenkinderen. Pfuhhh, alsof ieder muizenvrouwtje “zomaar” wat kinderen op de wereld zet. Daar is  toch echt wel wat voorbereidend werk en een vent voor nodig. En die vent was er nu net vandoor. Mensen denken soms zo vreemd.

Juffrouw Van der Spits heeft een tijdje achter die bank gezeten en is daarna luid piepend die kamer uitgehold. Die 3 katten dorsten toen ineens weer in haar buurt te komen en renden achter haar aan.

Die nacht heeft Juffrouw van der Spits buiten doorgebracht. Gelukkig is het klimaat in de Lot meestal redelijk mild, dus hoefde ze geen kou te leiden.

Toen de zon haar eerste stralen over de velden liet schijnen, werd Juffrouw Van der Spits gewekt door het rommelen van haar maagje. De strijd met de katten, het mens en al dat geren hadden haar de dag ervoor veel energie gekost.

Je snapt het niet, maar Juffrouw Van Der Spits koos ervoor om wéér dat huis met dat mens, die hond en 3 katten in te gaan. Haar trek in die verrukkelijke brokjes was groter dan haar angst voor die katten en dat mens.

Ongezien kon ze weer in de keuken komen en stortte ze zich op al dat lekkers. Weer was ze zeer onoplettend, want ineens was dat mens er weer en zette een doos over Juffrouw Van der Spits en schoof een plaat onder haar en het bakje. Ontsteld voelde Juffrouw Van der Spits dat ze met bakje en al werd opgetild. Het was aardedonker en best wel eng.

Plots werd die doos weer opgetild en zag juffrouw Van der Spits tot haar opluchting weer daglicht. Ze waren buiten en het mens zette behoedzaam het bakje met juffrouw Van der Spits op de grond.

Na nog een laatste brokje, want ze zijn zo lekker, nam Juffrouw Van der Spits met een luid piepprotest en een slecht geplande uitval naar haar vingers afscheid van het mens. De hond en katten hebben zich verder niet meer laten zien.

Juffrouw Van der Spits heeft in haar eentje Puy-L’Évêque verlaten. Haar lover, die losbandige muis, had inmiddels een piepjong muisje gevonden in een naburig plaatsje, Mauroux. Hij woont daar onder de veranda op het terrein van een hondenhotel. Aangezien er daar soms wel 8 honden rondlopen en allerlei mensen leek het Juffrouw Van der Spits maar beter om daar geen verhaal te gaan halen, maar is ze teruggekeerd naar huis. Sinds dien woont ze dus weer hier.

 

Met dank aan Hanneke, Minoutje en Poek

Hoofdstuk 24

 

20171115_130813-COLLAGE

Henriette Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 24 – Die Juffrouw Van der Spits toch

Wat ik nu toch heb gehoord! Een geweldig verhaal over juffrouw Van der Spits!

Ik heb je toch wel eens verteld dat ze altijd zo geheimzinnig doet over haar verleden. Nou ja, geheimzinnig?!? Ze laat er gewoon nooit iets over los.

Aurélia heeft via, via wat over haar gehoord. Geweldig, wat een verhaal.

In de tijd dat ze met die losbandige muis op stap was (Hfdst. 6) schijnen ze door heel wat landen gereisd te hebben. Ook zijn zij toen in Frankrijk geweest. In Puy l’Eveque in de Lot om precies te zijn. Alleen de naam van dat plaatsje al. Mooi hè!

Ze woonde daar met haar lover in een geweldig mooi huis. Een huis met zachtgroene luiken, prachtige bloemen in de tuin en een lange oprijlaan. Net buiten het dorp met een geweldig uitzicht over “la campagne” – het platteland. Wat klinkt frans dat toch  heel anders dan ons muizentaaltje. Het verhaal vertelt niet of ze ook uitkeken over de rivier de Lot. Dat is zo’n mooie rivier , met kastelen die vanaf hun hoge ligging over het landschap en de rivier uitkijken. Met een beetje fantasie zie je er de dames in hun fraaie japonnen en een parasolletje in de kasteeltuin wandelen terwijl hun echtgenoten op hun paarden galoppeerden door de velden of op jacht waren met een meute honden.

Oeps, ik dwaal af. Romantisch typje hè, hahaha.

Ik zou het een ontzettend nadeel hebben gevonden dat er in dat mooie huis waar “La Spits” en haar lover verbleven ook een hele grote Ala d’Oro jachthond, en wel 3 katten, waarvan er een nog scheel keek ook, woonden. Maar juffrouw Van der Spits vond dat kennelijk geen probleem.

Aurélia vertelde dat juffrouw Van der Spits, in haar Franse tijd, al net zo nieuwsgierig was als nu, maar alleen vele malen brutaler en onvoorzichtig. Dat is toch niet te geloven als je haar nu meemaakt. Ze is nu de voorzichtigheid zelve.

Toen ze in dat huis woonde met die 3 katten heeft ze iets heel moedigs gedaan.  Al dagen had ze buiten niets eetbaars kunnen vinden. Ten einde raad was ze in het huis op zoek gegaan. Ja hoor, ze vond een bakje waar harde knabbeltjes in zaten. Ze moeten werkelijk heerlijk van smaak  geweest zijn, want ze at alsof haar leven ervan afhing. Daarbij vergat ze haar voorzichtigheid. Voor muizen levensgevaarlijk, want het gevaar ligt al op de loer. Zeker in een huis met zo’n enorme jachthond en wel 3 katten. En dan te bedenken dat Juffrouw Van der Spits hier iedereen altijd tot voorzichtigheid maant.

Die verrukkelijke knabbels bleken KATTENKNABBELS te zijn. Oei ….. en dat niet alleen, maar de katten, alle 3, kwamen hun knabbels opeisen. Juffrouw Van der Spits stond moederziel alleen tegenover die 3 potentiële moordenaars. Waar die lover van haar op dat moment was vertelt het verhaal niet, maar wel dat hij in geen velden of wegen was te zien. Met name één kat, die schele, zat heel vals vanonder een kast doodstil naar Juffrouw Van der Spits te loeren.  Juffrouw Van der Spits had maar twee mogelijkheden. Of zich levend laten verslinden door die 3 katten, of vechten voor haar leven. Nooit verwacht, maar ze deed het laatste. Zo dapper. Ze piepte, gilde, gromde en beet van zich af. En die katten ….. die deinzen terug. Potentiële killers die wijken voor een spitsmuis. Dan moet ze wel verschrikkelijk tekeer zijn gegaan. Ik zou willen dat ik erbij was geweest. Hoewel, met die 3 engerds, nee, toch maar niet, hihi.

 

Met dank aan Hanneke en Pippi.

 

Hoofdstuk 23

IMG-20171113-WA0001~2

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 23 – Mamma

Daags na de moord op mijn vader zat ik droevig in de tuin te mijmeren. Ik was zo verdrietig en kon de gedachte aan de moord niet van me afzetten. Wat moet Pappa hebben geleden. Al die halen van die scherpe klauwen en die beten. O, wat een pijn moet dat geweest zijn.

Mijn vaders lot was helaas bezegeld, maar waar was mijn moeder?

Beau is ontzettend lief en zorgt heel goed voor mij. Als hij even weg moet, zorgt hij dat Aurélia bij me is. Hij is bezorgd om mij, maar natuurlijk ook om het muisje in mij.

Aurélia is ook heel erg geschrokken van de moord op mijn vader en het verdwijnen van mijn moeder. Ze woont nu helemaal alleen in hun huisje. Dat vindt ze natuurlijk wel een beetje eng, want die Killer Cat loopt nog altijd rond. Het zou me niets verbazen als ze weer terug wil naar Frankrijk. De vraag is alleen HOE?

Beau had wat zaden en pitten op de kop getikt en kwam mij die brengen. Samen zaten we net te knabbelen toen Aurélia buiten adem aan kwam hollen. Ze moest alvorens te kunnen praten even uithijgen. Afgezien van het feit dat ze heel hard gerend had, was ze ook als de dood geweest dat ze die rot kat tegen zou komen. Ze vertelde dat we meteen mee moesten komen, want mijn moeder was terecht. Bijna maakte ik van vreugde een sprongetje, maar de ernstige blik van Aurélia weerhield me daar van.

“Aurélia, wat is er? Wat is er met Mamma? Waar is ze? Ze is toch niet dood?”

Aurélia vertelde me dat ze nog leefde, maar zwaar gewond was. Oorzaak; ja hoor, weer die afschuwelijke kat.

Mijn lieve nichtje had Mamma gevonden in een hoekje van de tuin van de buren. Ze kon niet meer lopen en haar staart was er helemaal afgerukt. Het was te erg om aan te zien. Wat had ze een pijn. Beau, Aurélia en ik hebben geprobeerd haar naar haar eigen huisje te brengen, maar dat ging niet. Ze had zoveel pijn, dat iedere aanraking haar deed piepen.

Zo goed en zo kwaad als het ging hebben we haar verstopt onder bladeren, zodat dat monster haar maar niet kon zien. Meer konden we helaas niet voor haar doen.

Het werd nacht, een koude nacht. Met z’n drietjes zaten we bij mijn moeder te waken. Echt bij bewustzijn was ze niet. Gelukkig maar, want dan voelde ze misschien ook geen pijn. Af en toe viel een van ons drietjes een paar minuutjes in slaap. De spanning van de afgelopen dagen werd dan eventjes teveel.

Het begon al licht te worden toen mijn moeder ineens mijn naam noemde. Ik liep snel naar haar toe. Zwak vroeg ze me hoe het met me ging. Ik begreep haar niet zo goed, want ik was toch niet ziek. Mamma keek me liefdevol aan en zei dat ze voelde dat ik een kleine muisje in me droeg. Tranen liepen over mijn snuifje en ook bij Mamma zag ik tranen in haar oogjes. “Mamma, hoe weet je dat?”.

Met de warmte in haar ogen, waarmee alleen een moeder naar haar kind kijkt sprak ze: “Zoiets voelt een moeder.”

Met haar laatste krachten reikte ze naar mijn snuitje en zei: “Je wordt vast een geweldige moeder!”

Daarna sloot ze haar lieve kraaloogjes. Ik was wees.

 

Marit, bedankt voor de foto.