Hoofdstuk 90

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 90 – Château de Leychoisier

Na wat eten bij elkaar te hebben gescharreld begon de duisternis in te vallen. Het leek ons niet verstandig om in het donker op onderzoek uit te gaan. Dat kasteel zou er morgen ook nog wel zijn.

We sliepen deze nacht buiten, want we waren te laat bij de camper, de deur was al dicht. Het was onrustig die nacht, alsof er iets ergs of engs te gebeuren stond.

Al vroeg in de ochtend gingen we op zoek naar het kasteel.

Het was een behoorlijk eind lopen, best vermoeiend, maar het leek of ik naar het kasteel toe getrokken werd. Ik ging steeds sneller lopen.

Plots zagen we tussen de bomen een toren verschijnen – Château-de-Leychoisier.

Mijn hart maakte een sprongetje. Zou dit het zijn, was dit het kasteel van mijn vader?

Ik begon nu te rennen. Op weg naar het kasteel. Beau kon me met moeite bijhouden.

Hijgend kwamen we bij het kasteel aan, net op het moment dat de zon doorbrak. Wat was het hoog, wat was het groot, wat was het mooi.

Een vreemd gevoel maakte zich van mij meester. Dit voelde vertrouwd. Hoe kan dat, ik was hier nog nooit geweest.

We zochten een plekje waar we het kasteel binnen konden gaan en vonden een poort die op een kier stond.

Onze ogen moesten even aan het donker wennen. We stonden in een grote hal.

Konden we zomaar doorlopen of moesten we daar eerst toestemming voor vragen? Maar aan wie?

We liepen dus maar heel zachtjes verder en kwamen in een ruimte die de keuken bleek te zijn. Tenminste; we roken heerlijke dingen.

Vanonder een kast kwam een oude muis onze kant op gelopen. Vlakbij bleef hij stokstijf staan met grote verschrikte ogen.

“Dat kan niet waar zijn” stamelde hij “u moet de dochter zijn van de Comte, de Demoiselle. Twijfel is uitgesloten.”

Ik vertelde hem hetzelfde als wat ik de herten verteld had. En de oude muis neeg zijn kop en stamelde verlegen “Comtesse, welkom in uw huis.” Ik bloosde ervan.

Mijn huis? Dit kasteel?

Vanuit alle hoeken en gaten kwamen muizen op ons af. Ook zij waren verbaasd ons te zien, maar verwelkomden ons uitermate vriendelijk. We voelden ons welkom.

Ze wilden weten welke vertrekken wij wilden betrekken en of ze nog iets voor ons konden doen.

Het werd Beau en mij iets teveel en besloten gewoon terug te gaan naar de camper en ons daar te beraden op wat we gingen doen.

Bij de camper aangekomen, hoorden we hem en haar zeggen dat ze morgen naar huis gingen. De reis had lang genoeg geduurd.

Dat betekende voor ons dus ook nog maar één nacht in de camper en dan naar huis.

Twijfel maakte zich van mij meester. Huis, waar was dat? In Nederland of hier op het kasteel.

Het kasteel was Frankrijk, dichter bij onze dochter Hortense. Hier op het domein lagen mijn roots, mijn adellijke roots. Noblesse noblige, adel verplicht. Moest ik niet hier blijven en de verplichtingen van een Comtesse op mij nemen.

Beau voelde mijn twijfel aan en vroeg of ik hier wilde blijven, op het kasteel. Hij vond de omgeving geweldig en zei dat hij zich hier heel erg op zijn gemak voelde.

Die avond hebben we geen hap gegeten. De beslissing die we nu moesten nemen was groot, heel groot. We sliepen in de camper op ons bedje van blauwe pluis.

De morgen brak aan, het was een stralende dag. Hij en zij waren druk in de weer om alles weer in te pakken en de camper rijklaar te maken.

Vanaf een kleine afstand bekeken Beau en ik hem en haar. We waren zo aan hun gewend, het was zo vertrouwd.

Veel tijd voor overwegen was er niet meer, we moesten NU beslissen. Instappen in de camper of onze intrek nemen in het kasteel. Ik wist het niet en werd een beetje radeloos.

Op dat moment stapten hij en zij in de camper en sloten de deur. Er was voor ons besloten. Wij konden niet meer mee naar Nederland.

De camper kwam in beweging en reed richting de uitgang van de camping.

Beau en ik keken de camper met tranen in onze ogen na. Bonnac-la-Côte was vanaf nu ons huis.

Langzaam liepen we naar het kasteel, ons kasteel.

De muizen van het kasteel hadden een aantal vertrekken voor ons op orde gebracht. Ook hadden ze allerlei lekkere dingen voor ons bij elkaar gezocht. Het was hartverwarmend, zo lief allemaal. We voelden ons welkom.

Ons leven zou wederom veranderen, want onze nieuwe status bracht verplichtingen met zich mee.

Hoewel de nieuwe situatie voor ons met vraagtekens was omgeven, wilde we de uitdaging met grote gretigheid aangaan en de rest van ons leven hier op het kasteel doorbrengen.

Mijn naam is Henriëtte Josephine Comtesse de Leychoisier, maar zij noemt me MUIS.

Nogmaals mijn hartelijke dank aan iedereen die mij heeft voorzien van al die lieve, mooie foto’s en daarmee ideeën voor mijn verhaal. Henriëtte Josephine, mijn MUIS, leeft nu in Frankrijk. Dus, Franse vrienden, als jullie toevallig mijn muisje zien lopen, wees een beetje lief voor haar en zeg haar gedag namens mij. Ik mis haar een beetje.

Dag lieve Henriëtte Josephine, misschien au revoir, liefs, Gerda (zij).

Hoofdstuk 89

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 89 – Bonnac-la-Côte

Zij kwam terug in de camper met een groot pakket in haar armen. Heel voorzichtig legde ze het in de kast. Wat was ze blij met dat pakket. Uit de gesprekken tussen hem en haar maakten we op dat er porselein in dat pakket zat. Waar mensen al niet blij mee zijn!?! Je kunt het niet eens eten. Hooguit ERVAN eten.

Hij en installeerden zich weer in de camper, de motor gromde en we reden weer.

Na een korte tijd gereden te hebben, maakte de camper een scherpe bocht. We reden over een smalle laan en kwamen langs wat schuren. Bij een gebouwtje wat er erg gezellig uitzag stapten hij en zij uit en deden meteen de deur achter zich dicht. Wij moesten dus gewoon geduldig binnen wachten.

Niet lang daarna kwamen ze weer terug met wat papieren in hun hand. Stapten in en de camper reed weer. Niet voor lang hoop ik, want ik ben het wel een beetje zat.

Het geluk was met ons, want een paar minuten later stopten we weer. Hij en zij stapten uit en zetten buiten hun tafel en stoeltjes neer. Goed vooruitzicht, want meestal bleven we dan wel even.

Toen zij met de koffie naar buiten ging, durfden Beau en ik ook de sprong wel te wagen.

Hè, hè, eindelijk weer buiten, frisse lucht en niet meer dat geronk van de motor.

Beau en ik besloten de omgeving maar eens te verkennen. Bovendien moesten we op zoek naar eten, want we waren nu toch echt door onze kruimels heen.

Niet ver van de plaats van de camper stonden waanzinnig hoge bomen op de camping. Ik hoorde toevallig voorbij wandelende mensen tegen elkaar zeggen dat het Sequoia’s waren.

Vlakbij die Sequoia’s zagen we een stukje mooi groen grasland. Daar maar eens kijken of er wat te eten valt te vinden.

Daar aangekomen zagen we wat herten lopen, die een beetje vreemd onze kant opkeken. Sommigen durfden ons niet eens aan te kijken.

De grootste hinde kwam toch op ons af. Ze vroeg mij of ik de Demoiselle was? Want ik leek zoveel op de Comte.

Demoiselle, Comte, waar had dat hert het over? Ze stond ons toch niet uit te schelden of zo?

Ik vroeg dus maar met beetje bravoure waar ze het over had.

Toen vertelde ze dat de Comte, wat dus een graaf bleek te zijn, een paar jaar terug na wat schandalen was vertrokken met zijn vrouw.

We begrepen nog steeds niet waar het over ging of welke kant het verhaal van dat hert op zou gaan.

De andere herten waren er inmiddels ook bij komen staan en waren het er unaniem over een dat ik als twee druppels water op de Comte leek.

De bok van de kudde kwam erbij staan en vroeg mij: “Hebben je ouders je helemaal nooit iets over vroeger verteld?”

“Jawel! Hij woonde vroeger op een kasteel en mijn moeder kwam uit een van de schuren. Hun ouders waren niet blij met het huwelijk, want zijn ouders vonden haar beneden hun stand. Samen zijn ze toen naar Nederland verhuisd.”

“Zie je nu wel” sprak de bok “dan bent u de Demoiselle!”

Die bok stond mij dus zomaar even tussen neus en lippen door te vertellen dat ik van adel was. Het was dus echt waar. Mijn vader had niet alleen op het kasteel gewoond, maar was een echte edelmuis. Ik was er een beetje beduusd van, zeg maar gerust een beetje veel!

Beau stond er ook verbaast van te kijken. Wat gebeurde er allemaal. Zo ben je een gewone muis en zo ben je van adel en spreken de andere dieren je met “u” aan.

“Maar, Demoiselle, vertelt u eens hoe gaat het met uw ouders?” vroeg de grote hinde.

Toen heb ik de het gruwelijke verhaal van hun dood (vermoord door Killer Cat) verteld.

Je wilt het niet geloven, maar toen werd de hele roedel herten een beetje verlegen en begonnen zich murmelend te verontschuldigen. Dat ze mij zo onheus hadden bejegend, respectloos en meer van dat soort dingen.

Hoezo, waarom, wat was er in vredesnaam aan de hand?

De bok gaf uitleg. Omdat ik de oudste dochter van de Comte (mijn vader) was, had ik de adellijke titel van mijn vader geerfd. Ik was nu de Comtesse!

Het begon me te duizelen. Eerst zou ik de Demoiselle zijn en nu weer de Comtesse!?! Ik ben een gewone muis uit Nederland met een lieve man en prachtige dochter en woon in een holle biels.

De herten werden onrustig, wisten zich met de situatie ook geen raad.

Beau en ik besloten verder op onderzoek uit te gaan. Te beginnen bij het kasteel. Dat hadden we nog niet gezien, want dat stond verderop, omringd door bomen. Misschien dat we daar wat meer te weten zouden kunnen komen.

Maar eerst iets nog belangrijkere voor muizen. Op zoek naar eten, want tenslotte moeten ook adelijke muizen “muizen”, hihihi.

Mijn dank aan de heer Roger Jean Verscheure voor de foto’s van de Camping.

Hoofdstuk 88

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 88 – Ik ben moe

Beau en ik werden pas wakker toen we al hoog en breed onderweg waren. We hadden niets gemerkt. Niet eens dat hij en zij wakker geworden waren, alles ingepakt hadden en de camper weer was gestart.

Toen we uit het raampje keken, zagen we nog net het viaduct in de verte verdwijnen.

Het waren ook best vermoeiende dagen geweest in Millau. Beau en ik kunnen wel merken dat we een dagje ouder worden. Eerlijk gezegd ben ik wel toe aan een beetje rust. Ik ben moe.

Gelukkig zouden we vandaag een reisdag hebben. We hadden genoeg kruimels, dus we konden vandaag heel rustig aan doen. Achter het gordijntje konden we kijken naar het voorbij glijdende landschap.

Bij het zien van deze bergen in de verte, zei zij “Ssssst, zachtjes, anders maak je slapende vulcanen wakker.” Hij vond dat wel grappig, want hij moest er om lachen. Als die vulcanen wakker worden, zouden ze dan gaan lopen of zo? Dat kan toch niet!

Het rijden maakte ons een beetje duf. Hoe lang zou de reis nog duren. Vast wel lang genoeg om een dutje te doen. Zo gezegd, zo gedaan. We vielen in een diepe slaap.

We werden wakker, omdat de camper stopte. Zouden we er al zijn? Zij ging koffie zetten, het moest haast wel. Hij zette de stoeltjes buiten, dus ook wij gingen maar even naar buiten toe.

Het was helemaal niet leuk! Er stonden overal auto’s en mensen liepen heen en weer. Het terrasje waar hij en zij zaten was ook niet zo’n leuk plekje als anders.

We hadden ons vergist. Het was maar een tussenstop. Je zult het niet willen geloven, maar dat hoorden we van een KAT! Die kat was net als wij stiekem in de camper van zijn baasjes gestapt. Zijn baasjes wisten van niets en hier tijdens de stop was hij te laat terug bij de camper geweest om verder mee te reizen. Hij zwierf nu maar wat rond in de hoop ooit een lift terug naar huis te krijgen.

We hebben aan die kat gevraagd of hij wist wat er zo leuk is aan Bonnac-la-Côte. Maar hij wist niet waar het lag, laat staan of het leuk zou zijn. Helaas.

Hoewel het een hele leuke kat was, kon ons gezellige samenzijn niet te lang duren. We wilden niet het risico lopen net als hij te laat terug te zijn in de camper. Wonen op een parkeerplaats aan de kant van de weg, want daar waren we, is niet wat je je wenst. Dus we zeiden de kat gedag en klommen ongezien terug in de camper.

We waren nog maar net binnen of we hoorden hem weer rommelen aan een van de luiken, waarna hij de stoeltjes er in schoof. Zij kwam terug met de kopjes. Het was duidelijk, we zouden weer gaan rijden.

Onderweg zagen we veel bomen, bergen en weilanden. Soms ook van die mooie koeien.

Wat zijn die dieren groot! Daar passen wel een miljoen muizen in. Gelukkig eten ze alleen gras, dus hebben wij niets van ze te duchten. Zeker niet nu we ze alleen maar zien vanuit de camper.

We reden nog een hele tijd door.

Plots voelden we dat het wegdek waarover we reden anders werd. Het hobbelde wat. Maar het was niet verontrustend, want hij en zij deden heel normaal alsof er niets aan de hand was.

Zouden we er al bijna zijn? De camper stopte. Maar ook dit keer was het niet de plaats van bestemming. Er moest getankt worden. Zo’n camper lust wel wat, want we hoorden geklots onder de vloer.

Toen we verder gingen hoorde ik haar zeggen dat ze nog een half uurtje moesten rijden en dat ze dan in Aix-sur-Vienne zouden zijn.

Nu ze toch in de buurt waren wilde ze daar nog even kijken of ze haar servies van thuis nog wat kon uitbreiden met mooi porselein.

Wederom hadden wij weer eens geen idee waar ze het over had.

Het bleek om bordjes en kopjes te gaan! Zeg dat dan gewoon! Mensen doen soms zo moeilijk. Ook iets waar Beau en ik wel eens moe van worden.

Misschien komt het wel doordat we al zo lang met ze op reis zijn. Je gaat toch een beetje een mensenleven leiden. Wat dat betreft zal ik best blij zijn als we weer thuis zijn. Thuis in onze holle biels onderaan de druivenrank.

Otteline, bedankt voor de “kat en muis” foto.

Foto Limousin koeien: Pixabay

Hoofdstuk 87

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 87 – Dag Tarn, dag eenden

Toen hij en zij terugkwamen van het bezoekerscentrum aan de voet van het viaduct, waren wij net weer in de fietstassen gekropen. Net op tijd, ze hadden niet eerder terug moeten komen.

Ze stonden nog wat naar boven te kijken en van de ene naar de andere kant van het gedeelte waar de auto’s over reden. Het is zo hoog dat ik een beetje duizelig werd van het omhoog kijken.

De fietsen werden van het slot gehaald en ze stapten op. Gezellig babbelend reden ze naar een grote supermarkt niet al te ver van het viaduct.

Beau en ik zagen het niet zitten om mee te gaan, want zo’n supermarkt is dan wel een walhalla voor muizen, maar mensen zijn daar nooit zo gecharmeerd van onze aanwezigheid.

Zo raar eigenlijk, want wat doen we nu heel voor kwaad? Oké, we knagen wel eens een pakje of zakje open. Maar heb je wel eens gezien wat er allemaal in zo’n supermarkt op de grond ligt? Nou dat hebben de muizen echt niet gedaan. Welnee, dat doen de mensen zelf. Ze zouden ons dankbaar moeten zijn, want wij willen die gevallen heerlijkheden best opruimen, hoor! Maar nee, ze zetten van die moorddadige klemmen neer of strooien misselijk- en ziekmakende korrels. Maar goed, dat terzijde.

We hebben tijdens het wachten maar een dutje in de fietstas gedaan.

Met veel lawaai werden er opeens allemaal dingen in de tas gepropt. Hij en zij waren weer terug met de boodschappen.

We konden niet ongezien tussen de boodschappen door kruipen, dus moesten we onze nieuwsgierigheid beteugelen tot we weer reden.

Het viel ons een beetje tegen, want ze hadden veel groentes gehaald. Vinden mensen kennelijk erg lekker. Zal ook wel gezond voor hun zijn, maar wij zij er niet echt kapot van. Zie je ons al knagen aan zo’n wortel. We zijn geen konijnen, hihihi. Als er niets anders is, dan moeten we wel, maar liever niet. Wat er in die andere tas nog zit is een verrassing, dat zien we wel als we weer in de camper zijn.

Nu maar hopen dat er ook van die lekkere Millefeuilles zijn.

Onderweg hoorden we ze praten. Ze willen morgen weer gaan rijden. De bestemming is Bonnac-la-Côte. Hij wilde daar graag nog een keer heen, hoewel het eigenlijk van de route ligt.

Zij heeft er ook wel veel zin in, want ze zegt dat ze de omgeving zo mooi vindt.

Het zal wel de moeite waard zijn, want ze gaan er een aardig eind voor omrijden. Beau en ik zijn wel benieuwd wat er zo leuk moet zijn in Bonnac-la-Côte.

Weer terug bij de camper werden de fietstassen uitgepakt. Vanaf ons plekje onder de bank konden we het niet goed zien, maar er waren dingen bij die wel erg lekker roken. Nu maar hopen dat we de kans krijgen om er van te proeven.

Zij ging koffie maken en hij zette de tafel en stoelen buiten op het terras. Toen de koffie weer zo lekker geurde, bracht zij het naar buiten. Samen met een bordje met iets erop. Het zakje waar het in had gezeten liet ze binnen liggen.

O, als dat toch eens waar zou zijn …….

Maar nee, op het bordje lag iets heel anders. Maar het rook ook verrukkelijk. Daar moesten we dus ook iets van zien te pikken. Misschien zat er in het zakje in de camper nog wel wat.

We moesten er het kastje voor inkruipen, maar hadden toen wel geluk. Er zaten nog heel veel van die dingen in het zakje. We aten tot we er een beetje ziek van werden.

Net op tijd waren we weggekropen, want hij kwam het zakje halen.

“Hé, kijk nou eens. Het lijkt wel of er een muis aan deze macaron heeft zitten knagen. Ze mogen daar wel eens wat aan doen in die bakkerij bij die supermarkt. Deze macaron zullen we maar aan de eenden voeren. Gelukkig blijft er nog wat voor ons over.”

“NEE!!!!! Niet naar de eenden!” Ik gilde het volgens mij een beetje luid. Beau trok me tenminste hard achteruit, terug onder de bank.

“Wat doe je nu?!? Straks worden we nog betrapt.” “Sorry Beau, dat was echt ondoordacht van mij, maar die dingen zijn zo lekker.”

Hij en zij hadden kennelijk mijn gepiep ook gehoord, want ze keken zoekend om zich heen.

“Ik zou zweren dat ik een muis hoorde, jij ook? We moeten die eenden maar niet meer voeren. Het is logisch dat er dan ook andere kapers op de kust zijn. Geef ze eens ongelijk. Hahaha, zolang ze maar buiten blijven, vind ik het prima.”

Kun je je voorstellen hoe wij hem uit hebben zitten lachen. Hij moest eens weten. Er zijn dagen geweest, dat we met 5 muizen in die camper zaten.

Foto’s supermarkt, groentes en macarons: Pixabay

Hoofdstuk 86

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 86 – Het viaduct

Wat hebben wij diep geslapen. Komt vast omdat we gisteren ons buikje rond hebben gegeten van die Millefeuilles.

Hij en zij waren ook vroeg wakker en ik hoorde ze zeggen dat ze vandaag naar het viaduct wilden gaan en dan meteen wat boodschappen doen bij de supermarkt.

Jammer, want van mij mogen ze nog best even langs die lange-broden-winkel voor wat Millefeuilles. Maar ja, je kan tenslotte niet iedere dag geluk hebben.

Nadat we ons velletje een grondige poetsbeurt hadden gegeven, hadden we het gevoel de hele wereld weer aan te kunnen. Hij kennelijk ook, want hij zei tenminste dat hij weer heerlijk fris was na zijn douche. Dan gaan die mensen in een hokje staan onder een heel plaatselijke regenbui, zo raar! Maar dat moeten ze zelf weten natuurlijk.

Wij maakten ons op voor weer een rit met de fiets. Eerst nog even zien dat we wat te eten vinden. Wat een gedoe toch altijd. Hij en zij zullen toch ook wel wat gaan eten. Anders maar eens kijken bij de andere campers hier in de buurt.

We hoefden niet ver te zoeken, want toen zij terug kwam van het douchen bracht ze maanvormige broodjes mee, die ook alweer heerlijk roken en gelukkig ook kruimelden.

De rit naar het viaduct nam best wat tijd in beslag. We zagen door het gaatje in de tas weer van alles. Het grootste deel van de route reden ze langs een rivier. Geen idee of dit nog steeds de Tarn was, want dat water in die rivieren ziet er allemaal hetzelfde uit.

Eindelijk waren ze waar ze wezen wilden, want ze stapten weer van hun fiets af. We keken nog snel even door het gaatje in de tas naar buiten en zagen meerdere hele dikke betonnen palen. De fietsen werden tegen een hek aan gezet. Ook dit keer kropen we snel in de jaszak van een van de jassen. Dus toen ze van de fietsen wegliepen, hoefden we geen moeilijke trucs uit te halen om mee te gaan. Vanuit die jaszak konden we de omgeving goed bekijken.

Hoge bergen, veel groen en heel hoog in de lucht een soort brug. En onder die brug stroomde die rivier, waarvan wij dus vermoeden dat het de Tarn moest zijn.

Zoiets hadden we nog nooit gezien. Een brug en dan zo hoog. Die brug reikte wel tot aan de hemel, dat moet wel. Zouden ze die brug vanuit de hemel ook kunnen zien?

Wij waren niet de enigen die diep onder de indruk waren, want hij en zij stonden ook gebiologeerd omhoog te kijken.

“Kijk” zei zij “die auto’s op het viaduct lijken wel mieren. Ze lijken zo klein. Hoe hoog zouden die pijlers wel niet zijn?”

“Dat heb ik vanmorgen even op de pc opgezocht” zei hij ” de hoogste pijler is net iets hoger dan de Eiffeltoren, 343 meter. Het bruggedeelte is bijna 2,5 kilometer lang en 32 meter breed. Het overspant de vallei waar de Tarn door stroomt. De weg ligt op 270 meter hoogte en ze hebben ruim 3 jaar aan het bouwwerk gewerkt. Gedurende die periode zijn er wel wat bedrijfsongelukken voorgevallen, maar gelukkig nooit met fatale afloop. Ze moeten de veiligheid wel erg hoog in het vaandel gehad hebben.”

“Ha, ha, ha” lachte zij “je lijkt wel een encyclopedie. Wat goed zeg, dat je dat vanmorgen even opgezocht hebt. Het maakt zo’n indrukwekkend bouwwerk nog interessanter.”

Al die cijfers zeiden ons niets, maar het moet wel een knap stukje werk zijn geweest, want zowel hij als zij stonden er vol bewondering naar te kijken.

Hij en zij wilden nog naar het bezoekerscentrum aan de voet van een van de pijlers. Maar voor ze naar binnen gingen, stopten ze eerst hun jassen in de fietstassen. Je hebt het door, wij zaten nog in de jaszak. Dus dat bezoekje zijn we misgelopen.

Om de tijd te doden scharrelden wij wat rond bij de fietsen en gingen in het zonnetje liggen aan de rand van een grasveld.

Verderop zaten daar wat mensen op een kleedje waarop ze van alles hadden neergezet. Het was te ver weg om te zien wat het was, maar mijn wiebelneusje ving wel wat lekkere geuren op.

Omdat we wisten dat we in de camper wat kruimels hadden liggen van die maanvormige broodjes, waren we gewoon te lui om op onderzoek uit te gaan.

Bovendien zou het te gevaarlijk zijn om te ver van de fietsen weg te gaan. We konden het ons niet veroorloven om hem en haar mis te lopen. Stel je voor, dan stonden we hier en dan ……

Nee, dat risico konden en mochten we niet nemen.

Foto croissants: Pixabay

Hoofdstuk 85

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 85 – Millefeuille

Nadat hij en zij het museum hadden verlaten waren ze weer naar de fietsen gelopen. De jassen werden weer in de tassen gestopt. Wij kropen weer uit de jaszakken en ging onderin de tas bij het gaatje zitten, zodat we niets van de fietsrit hoefden te missen.

Ze fietsten door Millau en we zagen mooie oude huizen, kerken en een markthal. Daar liepen zoveel mensen, dat we blij waren dat ze daar niet stopten.

Door alle indrukken die we op hadden gedaan in het museum waren we een beetje moe geworden. Er was in dat museum ook zoveel te zien en we hadden ook zoveel gehoord. Klapstuk was natuurlijk dat skelet van die dinosaurus. Zo groot. Stel je eens voor, dat je zo’n dier tegen zou komen, brrrr. Gelukkig is de kans daarop niet erg groot, zeg maar gerust nul.

We waren in een diepe slaap, waarschijnlijk ook omdat de temperatuur inmiddels behoorlijk gestegen was. Onderin zo’n tas wordt het dan al snel behoorlijk warm.

Abrupt werden we gewekt. Ze waren bij zo’n lange-broden-winkel gestopt. We konden ze zien liggen en we roken ze ook al. Zo lekker. Zij liep naar binnen terwijl hij bij de fietsen bleef. Niet lang daarna kwam ze met broden en een klein zakje naar buiten.

De broden gingen in de andere tas en dat zakje werd voorzichtig bij ons in de tas op de jassen gelegd.

De fietsen reden nog niet of wij kropen onder de jassen vandaan en inspecteerden het zakje. Het was goed dichtgevouwen; we konden er niet in. Misschien maar goed ook, want het rook zo lekker. Daar zouden wij onze tandjes wel eens in willen zetten.

Hij en zij reden over de brug, vanwaar we de camper konden zien staan. Er stonden ook weer vissers in het water. Zouden die niet bang zijn dat die meervallen in hun tenen zouden bijten? Dapper hoor.

Aangekomen bij de camper zette hij de fietsen tegen het hekje en maakte ze met een slot vast. De tassen zette hij in de bagageruimte onder de camper.

Zij was de camper ingegaan met de broden en het zakje en was bezig koffie en thee te maken. Thee kun je bijna niet ruiken, maar koffie ruikt heerlijk, zo gezellig. Ik zou dat wel eens willen proeven, maar dat zal moeilijk gaan, ben ik bang.

Wij waren inmiddels vanuit het bagageruim via een kiertje onder het keukenkastje in de camper gekomen en konden ongezien ons plekje onder de bank bereiken. Nu maar afwachten.

Nee, wat er gebeurd! Hij had buiten het terrasje gezellig gemaakt met een tafel en stoelen, dus zij ging met de koffie thee EN dat kleine zakje ook weer naar buiten. Wij, toen de gelegenheid het toeliet, er achteraan.

Hij en zij zaten nog niet buiten of met veel lawaai kwamen die honderden eenden ook weer aan waggelen. Ze krioelden om de stoelen en de tafel en maakten een lawaai van jewelste. Maar dat niet alleen, ze liepen ook nog eens op ongegeneerde wijze om wat lekkers te bedelen. Dat doe je toch niet! Ongehoord!

Nu gooien mensen eenden natuurlijk nog wel eens wat brood toe. Jammer, maar wij muizen hoeven daar niet op te rekenen. Mensen gooien ons nooit iets lekkers toe, hooguit een schoen. Maar, ik moet eerlijk zijn, dat heb ik alleen van horen zeggen.

Zij liep nog een keer naar binnen en hij joeg in de tussentijd de eenden richting de rivier. Wij waren kennelijk niet de enigen die zich stoorden aan het kabaal wat die beesten maken.

Terug aan tafel haalde ze uit dat zakje iets was zo overheerlijk rook, dat het water ons uit de bek liep.
Hij vond het ook erg lekker, want hij zei dat dit de lekkerste Millefeuille was, die hij ooit had gegeten. Zij genoot ook, maar in stilte.

Toen ze het voor de helft had opgegeten schoof ze het bordje met nog een groot stuk erop van zich af. Het was te veel. Ze stelde voor de andere helft voor vanavond te bewaren. Hij vond dat een prima idee en bracht beide bordjes naar binnen en zette het in de keuken neer.

Je voelt het aankomen; als de wiedeweerga schoten wij de camper in. Even wachten tot hij naar buiten was en toen …. aanvallen!

Toch moesten we met enige voorzichtigheid eten, want we mochten natuurlijk niet betrapt worden. Wat was dat lekker! We aten onze buikjes vol, bomvol. Met moeite konden we ons terug slepen naar ons holletje onder de bank.

Het duurde dan ook niet lang of we vielen in een diepe slaap. Van de rest van de dag en de nacht hebben we niets meer meegekregen.

Hoofdstuk 84

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 84 – Beet!

Met het opgewonden gekwaak van wel honderd eenden werden we de volgende morgen gewekt. Nu is dat aantal waarschijnlijk wel wat overtrokken, maar het waren er echt heel, heel veel.

Doordat ze zo opgewonden waren, en de deur van de camper nog dicht was, was er aan dat gesnater geen touw vast te knopen. Gelukkig waren hij en zij ook door dat gekwaak gewekt en gingen ze kijken wat er aan de hand was.

Ze vonden die grote hoeveelheid eenden voor de camper alleen maar leuk en gooiden wat stukjes brood naar buiten. Even vergeten de eenden hun opwinding en doken met z’n allen op die paar stukjes brood. Maar omdat het bij lange na niet genoeg was voor allemaal begonnen ze weer opgewonden te snateren.

Wat bleek; iets verderop aan de oever van de Tarn zat een visser. Deze man had verteld dat hij op meervallen zat te vissen. Je weet wel, van die griezels, waarvan de grote exemplaren zo een eend verslinden.

Dat wilden we wel eens zien. Dus zodra het mogelijk was sprongen we naar buiten. Temidden van de eenden konden we veilig de plek van die visser bereiken.

Die visser had een lange stok in zijn hand met daaraan een touw en dat ging dan weer in het water van de rivier.

Inmiddels waren er meer mensen bij komen staan. Plots klinkt er een opgewonden gejoel. Iemand riep: “Beet!”.

Toen de mensen wat uiteen weken konden we zien wat er aan de hand was. In het gras lag een vis. Niet zo’n angstaanjagende grote, maar toch …. Het was een meerval.

Nu denk ik dat deze meerval een muis ook met huid en haar zou kunnen verzwelgen, maar op de een of andere manier lag hij er zo in dat gras maar een beetje zielig bij. Afgezien nog van het feit dat hij zo grote pijnlijke haak in zijn bek had gehad.

Nadat de mensen de meerval van alle kanten met veel “Oh” en “Ah” hadden gekeken, liet de visser de meerval voorzichtig weer los in de rivier.

Wat heeft dat nu voor zin?!?

Beau en ik hadden al wel in de gaten dat de rivier voor ons dus geen veilige plek was, maar nu we met eigen ogen die meerval hadden gezien werden we nog voorzichtiger. Goed uit de buurt van de rivier blijven dus.

Na deze opwinding gingen we weer terug naar de camper. Hij en zij zaten van die lange en knapperige broden te eten, dus de kruimeltjes sprongen ons tegemoet. Lekker hoor. We hoefden geen inspanning te leveren voor een ontbijt.

Na het eten werden de fietsen van de camper gehaald. Beau en ik hadden ons al in het bagageruim gewurmd en waren in een van de fietstassen geklommen. Dat in die tassen klimmen was langzamerhand een routine geworden. Kom maar op met het avontuur.

Zij propte net voor ze weggingen nog even wat jassen in de fietstas, maar gelukkig konden we net wegkruipen in een hoekje van de tas. Nu we maar met z’n tweetjes waren ging dat makkelijk. Toen we nog met z’n vijven waren was het risico groter. Hoewel; ze verwachten geen muizen familie in die tassen.

De fietsen kwamen in beweging en we reden de camping af, over de brug van de Tarn, waar die zwaan zit te broeden.

We hadden wel even aan de bovenkant uit die fietstassen willen kruipen om te kijken of we de camper tussen de bomen en aan de oever konden zien staan. Maar stel dat we dan zouden vallen, midden op een drukke weg met veel auto’s, bussen en vrachtauto’s. Nee, dat zou levensgevaarlijk zijn. Dus moesten we het maar doen met het uitzicht door het gaatje in de tas.

Hij en zij zaten gezellig te praten en we hoorden ze zeggen dat ze naar het museum wilden gaan. Nu hebben wij muizen niets in te brengen, dus ook wij gingen naar het Musée de Millau.

Voor ze stopten hadden we ons al verstopt in de zak van een van de jassen, zodat we zo mee naar binnen konden liften. Zelf lopen was geen optie in zo’n museum , dan worden we meteen betrapt.

Binnen was er heel veel te zien. Millau wordt ook wel de hoofdstad van de handschoen industrie genoemd. Daar was ook veel over te zien. Van schaap tot leren lap tot handschoen. Handschoenen in alle soorten en kleuren, maar ook geuren, want je rook het leer waar ze van gemaakt zijn heel duidelijk.

Naast die handschoenen was er nog veel meer te zien.

Ze vertelden veel over de mensen en de dieren op de Grands Causses, de hoogvlaktes, waar veel schapen worden gehouden voor zowel kaas, vlees als het leer. Maar ook leerde je er veel over prehistorische vondsten van mensen en dinosaurussen. Na het zien van zo’n dinosaurusskelet hadden Beau en ik het wel gezien en gehad. Hij en zij gelukkig ook, dus gingen ze weer richting de uitgang en naar de fietsen.

Foto meerval en handschoenen: Pixabay