Hoofdstuk 50

bread-1180753_960_720

 

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

 

Hoofdstuk 50 – Net op tijd

Aangekomen bij het huis van Hanneke regende het gelukkig niet hard, het spetterde wat. Balda sprong met ons aan haar staart uit de auto en liep meteen richting de camping. Hanneke keek haar verbaasd na en haalde haar schouders op. Balda was namelijk helemaal niet zo dol op regen. Dan lag ze liever binnen of op het overdekte terras.

Balda dorst niet te hard te lopen, want Sophietje was al twee keer uit haar staart gevallen. Toen het bijna voor een derde keer gebeurde, stelde ze voor dat Sophietje dan toch maar op haar kop moest gaan zitten. Kon ze zich aan een oor vasthouden. Dat ging veel beter en Balda kon er de vaart in zetten. Vlak voor we de camping op liepen, moest Sophietje toch weer aan de staart gaan hangen, anders zou ze gezien worden.

Aangekomen bij de camper zagen we tot onze grote opluchting dat hij en zij nog buiten zaten hoewel het nog steeds een beetje spetterde.

Voor de vorm ging Balda maar weer even achter hun stoelen liggen, zodat wij, na Balda nog eens bedankt te hebben, de camper in konden glippen. Balda vertrok nadat ze van haar een hondenkoekje en een bakje water had gekregen. Hij en zij verbaasden zich er wel over dat Balda hun steeds kwam opzoeken, maar vonden het wel heel erg leuk.

Met moeite klom Sophietje de camper in. Het rook er naar mens en dat vond ze wel eng. Toen Beau, Hortense en Aurélia tevoorschijn kwamen verdween die angst. Als die vier muizen er konden wonen, dan kon zij het ook.

Ik stelde Sophietje aan mijn familie voor en vertelde waarom ik haar meegebracht had. De aanvankelijke verbazing van Beau veranderde toen in begrip. Het is toch zo’n lieverd. Zonder dat we er een woord over hadden gesproken wisten we dat we er een dochter bij hadden. Vanaf dit moment bestond ons gezinnetje uit vier muizen.

Hij en zij kwamen de camper binnen, want het begon nu toch steviger te regenen. We konden net op tijd wegkruipen in ons eigen hoekje. Sophietje had van al die opwinding een stevige honger gekregen. Gelukkig had ik wat zonnebloempitjes mee kunnen nemen uit de schuur van Luca en we hadden nog wat stukjes van zo’n lang brood. Dat werd dus smikkelen geblazen.

Nadat we onze buikjes rond hadden gegeten, zijn we met z’n vijfjes dicht tegen elkaar aan gekropen en duurde het niet lang of we waren in een diepe slaap verzonken.

Midden in de nacht werd ik wakker van een vreemd geluid. Wat bleek; Sophietje lag te klappertanden van de kou. Ja, als het heeft geregend trekt de kou wel eens wat op. Ik zei haar dat ze maar dicht tegen me aan moest kruipen, dat zou vast wel helpen. Helaas, ze bleef maar klappertanden. Ten einde raad heb ik Beau maar wakker gemaakt. Hij was ook een en al bezorgdheid, maar wilde niet voorstellen dat ze dan maar tussen hem en mij in moest kruipen. Hij was tenslotte niet haar vader, dus dat zou een beetje gek zijn.

Beau dacht even na en zei toen dat hij even weg moest. Hij bleef best een tijd weg, maar kwam toen terug met een heleboel blauwe pluizen en stukjes stof.

“Hoe kom je daar nu aan?” Met een grote grijns keek hij me aan en zei: “Ik vond het nu toch echt tijd dat we eens een fatsoenlijk bedje kregen. Het was de afgelopen tijd niet echt nodig geweest, want koud was het niet. Maar nu dat kleintje last had van de nattigheid en kou, moest het er maar eens van komen. Van de week toen jij met Balda weg was, ben ik al eens hier in de camper wezen kijken of ik iets kon vinden. Mensen kunnen zich niet zo poetsen als wij. Zijn zeker niet zo lenig of zo. Als ze zich wassen, doen ze dat met vallend water. Om zich droog te poetsen gebruiken ze niet hun tong, maar lappen stof. En die had ik gevonden. Heb daar net dus wat stukjes vanaf gehaald. Dat zullen ze toch niet merken? Wat denk jij?”

Samen hebben we toen van die pluizen en stukjes stof een heerlijk bedje gemaakt. Sophietje sliep in een mum van tijd. Ik moet zeggen dat ook ik in tijden niet zo lekker had geslapen. Zo zacht, zo warm.

 

Foto Pixabay

 

 

 

Hoofdstuk 49

FB_IMG_1527459162964

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 49 – Sophietje

Dat kleintje zat te bibberen in het hoekje van de schuur. Echt, ze was doodsbang en dorst geen piep te zeggen. Nu snap ik het wel, als er een kat aan je komt snuffelen, dan verstijf je. Nu heb ik van Luca begrepen dat Sammy-Sam een goeiige kater is, maar ja, een kater is een kater. Luca noemde dat snuffelen van Sammy-Sam kusjes geven, maar dat gaat me toch iets te ver.

Nadat Luca Sammy-Sam had gevraagd naar buiten te gaan, verliet hij zelf ook de schuur, zodat ik alleen met dat kleintje kon praten.

Luca en Balda blaften en dolden buiten wat, maar zelfs daar was dat kleintje nog bang voor.

Toen ik alleen met haar in de schuur was leek ze wat rustiger te worden. Behoedzaam ging ik naast haar zitten zonder iets te zeggen. Ze moest eerst even wennen. Nadat ze zag dat ik geen kwaad in de zin had keek ze me aan met een paar prachtige, maar triest kijkende oogjes.

“Hallo, ik ben Henriëtte Josephine en wie ben jij?”

Heel zachtjes, ik kon haar bijna niet verstaan zei ze: “Ik heet Sophietje en ben helemaal alleen.”

Mijn hart brak, dat arme kleintje. “Waar zijn je vader en moeder en heb je geen broertjes en zusjes?”

“Heb je een stukje terug langs de weg die grote boom zien staan? Onderin die boom hadden mijn vader en moeder een holletje gebouwd waar we met z’n vijfjes woonden. Ik had ook twee broertjes. Op een dag speelden wij met wat vliegende zaadjes van een paardenbloem toen er uit het niets een uil tevoorschijn kwam en een van mijn twee broertjes oppikte en bijna geruisloos weer weg vloog. Onmiddellijk zijn we mijn ouders gaan waarschuwen. Zij drukten mij op het hart vooral binnen te blijven en met z’n drietjes  gingen ze op zoek naar mijn andere broertje. Ik heb ze daarna nooit meer gezien. Daarom ben ik toen maar hier naar de schuur gevlucht.”

owl-2434413_960_720

Haar mooie, trieste, zwarte kraaloogjes begonnen vervaarlijk te glimmen. “Ik ben dus waarschijnlijk een weesje.”

Ik hoefde niet lang na te denken. Zo’n klein weesmuisje, helemaal alleen en op de vlucht. Dat mag niet gebeuren.

“Weet je, ik heb een dochtertje. Ze heet Hortense en ze is een beetje ouder dan jij. Ze is met ons meegekomen naar Frankrijk, als je wilt, mag je wel met mij mee. Misschien kunnen jullie dan samen wat leuks gaan doen. Wat denk je er van?”

“Met jou meegaan? Waarheen? Is het ver? Hoe…”

“Ho, ho, niet in paniek raken. Je weet dat hier in huis een hond woont, Luca. Dat is een geweldige lieverd, doet geen vlieg kwaad. Hij heeft een vriendin, Balda en zij is minstens zo lief. Zij heeft gezorgd dat ik hier kon komen, dus met haar gaan we ook weer terug. Niet bang zijn, vertrouw me maar.”

Even dacht Sophietje na. “Goed, ik ga met je mee. Je bent zo lief voor mij.” Zacht wreef ze met haar kopje tegen me aan. Je moet wel van beton zijn, wil dat je niets doen.

Ik riep Luca en Balda en zij kwamen heel rustig de schuur binnen lopen. Sophietje leek nu niet meer zo bang te zijn. Wel was ze erg onder de indruk. Niet gek natuurlijk, want ze zijn enorm groot die twee honden. Luca en Balda gingen even liggen, zodat ze niet zo groot leken. Zo kon Sophietje even aan hun wennen.

Balda stelde voor dat ik even liet zien hoe we in haar staart moesten springen. Na een paar keer oefenen lukte het Sophietje ook. Best knap, want ze was nog zo klein.

Luca wees mij nog even op wat lekkere zonnebloempitten, die in de schuur lagen. Ik nam er net zoveel mee als ik dragen kon. Met pijn in mijn hart nam ik afscheid van Luca. Daahaag! Snik ….

Met een flinke sprong hingen we in Balda’s staart en zij sprong met ons in de auto van Hanneke. Dat was voor Sophietje ook een totaal nieuwe ervaring. Even overwoog Balda haar toestemming te geven om op haar kop te gaan zitten, zodat ze alles goed kon zien, maar dat was gevaarlijk. Hanneke zou haar dan zo kunnen zien. Geen goed plan dus.

Op de weg naar het huis van Hanneke begon het een beetje te regenen. Nu maar hopen dat we op tijd bij de camper zouden zijn en dat hij en zij van het grote huis nog niet naar binnen waren en de deur dicht hadden gedaan.

 

Leny bedankt voor de foto van Sophietje

Foto uil/muis van Pixabay

Hoofdstuk 48

FB_IMG_1527455538872

 

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

 

Hoofdstuk 48 – Een muis met een kater?

We zagen dat we weer terug waren op de camping. Hij en zij gingen aan hun tafel zitten en hij haalde een fles uit de doos, die hij achterin had gezegd.

“Wat een zalige wijn is dat” zei zij van het grote huis toen ze met twee grote glazen naar de tafel liep.  Ahaaaa, dus het was wijn wat we opgelikt hadden. Erg lekker hoor, maar je ging je er wel gek van voelen.

Wij bleven met z’n viertjes nog maar even rustig liggen op ons plekje, want iedere beweging gaf een kloppend gevoel in je hoofd. Ook waren we een beetje misselijk en we hadden een vreselijke dorst. Als we maar niet ziek gaan worden. Zijn we eindelijk met vakantie, krijg je dit.

Na een paar uur slapen werden we gewekt door luid geblaf, Balda! Onze hoofden klopten aanmerkelijk minder, de misselijkheid was weg, maar die dorst …..

Toch zijn we naar buiten gegaan, want natuurlijk wilden we Balda zien. Zij lachte  toen ze ons zag. “Wat zien jullie er katerig uit, hahaha.”

“Katerig?!? We zijn muizen hoor, hebben geen puntige oren en niet zo’n behaarde staart en we zijn zeker geen muizenkillers!” Niet aardig natuurlijk van mij om zo kribbig te doen, maar het schoot er zo uit.

Balda moest alleen maar meer lachen. Ze legde ons uit dat een KATER het gevoel is wat je krijgt na het drinken van teveel wijn. Gelukkig zou het vanzelf overgaan, dus we waren niet echt  ziek.

Aanvankelijk waren we een beetje boos op Balda, omdat ze ons katerig vond, maar na haar uitleg was die boosheid meteen vertrokken.

We vertelden haar meteen over onze ontmoeting met Monsieur Jacques. Balda bleek hem te kennen. Die dikdoener met territoriumdrang bleek een zwerver die menig muis in de omgeving de stuipen op het lijf joeg. En die kat van hem was een lieverd, die die arrogante Monsieur Jacques wel leuk vond om mee te spelen.

Na nog wat leuke verhalen over de gekke dingen die Monsieur Jacques had uitgehaald, schoot me ineens nog iets te binnen.

“Balda, toen Beau aan Monsieur Jacques vertelde dat jij een Ala d’Oro was, zei hij dat dat geen hond was? Wat een gek hè!”

“Nou” zei Balda “eigenlijk heeft hij wel een beetje gelijk.”

“Huhhh, jij bent toch een hond?!?”

“Jawel, maar Ala d’Oro is de naam van de kennel waar ik vandaan kom, zeg maar zoiets als mijn achternaam. Ik ben een Bracco Italiano, dat is mijn ras. Maar omdat ik dat niet had verteld, vind ik dat jullie ook wel een beetje gelijk hebben.”

Wat is het toch een schatje, die Balda.

“Blijven jullie mensen nog een tijdje hier, want dan kan ik jullie nog een lift geven naar Luca. Mijn vrouwtje was nog wat vergeten af te geven.”

“Henriëtte Josephine, ga jij maar met Balda mee als je wilt. Ik blijf liever hier met dat bonkende gevoel in mijn koppie en Hortense heeft voorlopig voldoende opwinding gehad de afgelopen dagen.”

“Vind je het echt niet erg, Beau? Aurélia wil jij misschien  nog mee?”

“Nee” zei Aurélia “ik blijf ook liever hier. Ik voel me ook nog helemaal niet lekker.”

“Oké Balda, dat wordt dus maar één muis aan je staart. Maar niet zo hard lopen hoor, dat kan ik ook even niet aan, hihihi.”

Balda hield duidelijk rekening met mijn katertje, want ze liep voor haar doen met een slakkengangetje naar haar huis en sprong behoedzaam in de auto van Hanneke, die zich erover verbaasde waarom Balda toch steeds op stap ging. Ze moest eens weten.

Luca was weer heel verrast toen hij mij zag. Ik kreeg weer zo’n lebberpartij met zijn lange tong. Voor mij hoeft dat niet, hahaha, maar ik kan daar toch niets van zeggen. Het is zo’n lieverd. We hebben een tijdje zitten keuvelen, zo fijn. Ondertussen rende Balda achter een vlindertje aan. Uiteindelijk vertelde Luca dat hij een soort verrassing voor mij had.

In de schuur, waar hij wel eens een dutje deed, had hij een klein muisje gevonden, een meisje. Het was een weesje en doodsbang. Bang voor de katten, bang voor de mensen, maar ook bang voor hem, Luca. Ze zat maar stilletjes in een hoekje bang te zijn.

Wat Luca ook probeerde, ze kwam niet uit haar hoekje. Zelfs toen Sammy-Sam de kater haar kwam besnuffelen verroerde ze geen vin. Best dapper van zo’n klein muisje.

 

Leny en Sammy-Sam bedankt voor de foto

 

Hoofdstuk 47

 

CAM00812

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 47 – Dat smaakt naar meer!

We waren nog maar nog net wakker of hij en zij waren alweer druk in de weer. Ze gingen binnen aan de tafel zitten eten en gelukkig vielen er wat kruimels op de grond. Dat scheelde, want dan konden wij ook meteen wat eten.

Nadat ze gegeten hadden begonnen ze alles op te ruimen. We hoorden hem tegen haar zeggen dat hij een rit met de camper wilde maken door de omgeving en meteen voor wat wijn wilde kijken bij een cave.

Alweer die wijn. Misschien dat we er nu achter gaan komen wat wijn nu eigenlijk is.

De deur van de camper ging dicht en hij en zij gingen voorin de camper zitten. Plots veel lawaai en de camper bewoog. We waren weer op reis. Als we maar weer terugkomen. Dat zal wel, want ze hadden de tafel en stoelen gewoon laten staan.

Vanachter het gordijntje zagen we wederom de Lot. Zover we konden kijken water, water, water. Maar al snel verdween de Lot uit het zicht.

We reden op een smal weggetje met aan weerszijde struiken, waar druiven aan hingen. Heel anders dan thuis, want daar hangen de druiven zo hoog, dat we er echt niet bij kunnen komen. Uiteindelijk reden we een pad op naar een mooi huis met hoge bomen en grote schuren of zoiets. We zagen ook een bekende auto staan, althans hij leek op de auto van de visboer in Nederland. Zou die ook hier zijn?!?

Hij en zij stapten bij een schuur uit de camper. We konden net op tijd ook naar buiten springen en achter hem en haar aanlopen. Hij van het grote huis zei dat hij hoopte op mooie wijnen en ze gingen de schuur binnen.

In de schuur kwam er een man op hun af lopen die heel vreemd sprak; het was een andere taal. Nee, hij leek zelfs niet op de visboer. Wij begrepen geen van vieren iets van wat die man zei. Hij van het grote huis kennelijk ook niet, want hij keek haar nogal vragend aan.

Ze liepen met die man mee en kregen iets te drinken. Wat aardig van die man. Misschien dat wij ook iets konden vinden. Het rook wel apart in die schuur. We verstopten ons tussen wat afvalbakken. Vlakbij lag er een dopje of iets dergelijks op de grond wat ik even aan een inspectie heb onderworpen. Hmmmm, rook apart. Verder van de afvalbak af lag er iets nats op de grond, dus we gingen met z’n allen voorzichtig kijken. Het rook heel apart, niet zoals water ruikt.

20180616_213345-COLLAGE

Wat het was weet ik niet, maar het was zeker geen water! Het had ook een heel andere kleur. Maar het smaakte best lekker. Lekker; zeg maar gewoon heerlijk. We likten met z’n viertjes alles van de vloer op. Gelukkig lag er best veel op de grond, want het smaakte naar meer! Hihihi. Maar zo gek; alles om ons heen leek te bewegen en te draaien en we konden een beetje moeilijk lopen. Maar griebeltjes, wat was dat lekker.

Hij en zij hadden het heel gezellig met die man. Ze kregen steeds iets anders te drinken van die man. Vervolgens zeiden ze dingen als “valses royal dans le verre”* en “l’arrière-goût fantastique”**, althans zo klonk het. We begrepen er helemaal niets van. Niet dat het ons iets kon schelen. Gek genoeg; niets kon ons nog wat schelen. We maakten ons niet eens druk om de kat die vanuit een hoekje naar ons zat te loeren.

Na verloop van tijd kreeg hij van het grote huis van die man een grote doos aangereikt en ze liepen terug naar de camper. Ook wij wilden terug lopen, maar dat ging helemaal nog niet zo makkelijk. We slingerden een beetje, zo vreemd!

We bereikten de camper met de nodige moeite. Gelukkig moest hij die doos achterin de camper zetten, dus konden wij op ons gemak naar binnen klimmen. Meteen op ons plekje vielen we in slaap.

We hebben het niet eens gemerkt dat we weer reden, zo diep waren we in slaap gevallen. Vreemd spul hoor, wat we daar opgelikt hebben.

Door het hobbelen over het weggetje op de camping werden we wakker geschud. Beau keek me wazig aan en vertelde dat hij zo’n pijn in zijn kop had. Aurélia en Hortense voelden zich allebei ook niet lekker. Eerlijk gezegd had ik ook een kloppend gevoel achter mijn ogen. Wat was er aan de hand?!?

 

Mireille bedankt voor het filmpje het muisje (screenshots)

 

*  Danst koninklijk in het glas

** Fantastische afdronk

 

Hoofdstuk 46

received_1594232893987871

Henriëtte Josephine, maar zijn noemt me MUIS

Hoofdstuk 46 – Monsieur Jacques

Hanneke reed weer terug naar haar huis. Balda had beloofd ons terug te brengen naar de camping. Nu maar hopen dat hij en zij er nog zouden zijn, anders hadden we toch een probleem.

Balda liep weer over het veld met orchideetjes naar dew camping. Gelukkig liep ze niet zo hard als de eerste keer dat we haar zagen. Wij bungelden weer als acrobaten aan haar staart. En toch leek het weer alsof ze vloog met haar flapperende oren.

Hij en zij van het grote huis waren weer heel verrast dat Balda hun kwam opzoeken. Hahaha, wisten zij veel! Nadat Balda een bakje water had gekregen, werd het tijd dat ze terug ging naar haar eigen huis.

Wederom moesten we afscheid nemen. Tenslotte wisten we niet of we ook Balda nog terug zouden zien. Akelig hoor. We zijn nu eenmaal afhankelijk van mensen om grote afstanden af te leggen, dus we moeten ons erbij neerleggen.

We hebben Balda net zolang na staan kijken toen ze naar huis ging tot ze uit het zicht verdwenen was. Alle vier hadden we glimmende oogjes en waren stilletjes. Twee van die lieverds op één dag uitzwaaien, da’s best veel.

Hij en zij van het grote huis gingen buiten voor de camper zitten en maakten plannen voor de komende dagen. Het zag ernaar uit dat ze nog een tijdje op de camping wilden blijven. Jippie!

Terwijl Beau, Aurélia en ik een plekje in het ondergaande zonnetje hadden gevonden, speelde Hortense wat met de vliegjes en vlindertjes in het gras. Plots kwam er een muis onder de heg vandaag en kwam onze kant op lopen.

“Hé, wat doen jullie hier. Dit is mijn tuin. Wegwezen!! En laat ik dat grote beest hier ook niet meer zien. Wat is dat eigenlijk voor iets? Kan het vliegen met die oren?”

We keken elkaar verbaasd aan, wat was dat voor vreemde snuiter? Kan hij zich niet eerst even fatsoenlijk voorstellen en dan dat agressieve toontje ….. pffff. Wat een onaangename muis.

Beau stapte op hem af en sprak hem uitermate rustig aan.

“Goedenavond meneer, dit hier is mijn gezin. Wij komen uit Nederland en zijn op vakantie met dat grote witte ding op wielen daar. Dat heet een camper.  En dat grote beest is een hond en bovendien een lieve vriendin van ons. Zij heet Balda en is een Ala d’Oro. En wie best u?”

De muis keek Beau onvriendelijk aan en snauwde: “Jullie moeten mij  Monsieur Jacques noemen. En een Ala d’Oro is geen hond. En nu ophoepelen jullie of ik stuur mijn kat op jullie af!” Hij draaide zich murmelend om en liep weg richting de heg, waar inderdaad een kat naar ons lag te loeren. Brrr, de rillingen liepen over onze ruggen.

FB_IMG_1529141102267

Toen werd Beau toch ontzettend kwaad …..

“Wat denkt die ouwe idioot wel?!? Denkt hij dat hij zomaar mijn gezin kan bedreigen? Hij mag wel oppassen, want ik bijt zo zijn kop eraf!”

Hortense schrok wel even van deze uitbarsting. Zo had ze haar vader nog nooit gezien. Gelukkig kalmeerde Beau al snel weer en zei met een grijns: “Zo, dat lucht op!”

Wat een grumperige muis was dat zeg, maar wij laten ons daar niet door wegjagen. Bovendien zijn wij met z’n viertjes. Wat denkt hij wel.  Met z’n viertjes hebben we er later toch maar om zitten lachen.

Door ons avontuur van vandaag en dat gedoe met Monsieur Jacques waren we wel moe. Een goede nachtrust zou ons goed doen.

We hebben Aurélia mee de camper in geloodst. Ze vond het allemaal best spannend. Zo’n ding had ze tenslotte nog nooit van binnen gezien.

We hadden nog wat stukjes van dat lange brood en nog een paar zaadjes. Net genoeg om voor het slapen gaan nog wat te eten. Morgen zouden we echt op zoek moeten naar wat nieuws.

Dicht tegen elkaar aan hebben we die nacht heerlijk geslapen. Aurélia sliep ook lekker rustig. Misschien dat ze weer wat op zou knappen nu ze bij ons was.

 

Elly bedankt voor de foto van Kitty en Hanneke bedankt voor de lugubere foto.

 

Hoofdstuk 45

 

 

 

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 45 – Luca én Aurélia

Een tijdje reden we in de auto van Hanneke. We hadden ons verstopt tussen de voorpoten van Balda, want we vonden het wel een beetje eng. Het was toch weer heel anders dan in de camper.

Heel voorzichtig hebben we toch even naar buiten gekeken en weer zagen we de Lot. Die rivier is wel eindeloos lang hoor!

Opeens verdween de Lot, we reden van de rivier weg. In de verte doemde een huis op. “Kijk” zei Balda “Daar woont Luca.” Veel te langzaam naar onze zin naderden we het huis. Zag ik het goed?!? Ja, hoor, daar lag Luca, te slapen bij de deur.

De auto stopte, Luca werd wakker en kwam luid blaffend naar de auto toe. Joh, hij leek wel boos. Maar Balda vertelde dat hij niet boos was, maar waakzaam. Luca zorgt ervoor dat er geen vreemden zomaar het huis binnen kunnen gaan. Gelukkig, maar, want hij zag er best angstaanjagend uit.

Hanneke was uitgestapt en deed een deur van de auto open, zodat Balda eruit kon springen. Wij hingen weer aan haar staart, dus voor ons was het een makkie.

Luca begroette Balda heel enthousiast. Omdat wij aan de staart van Balda hingen, kon Luca ons niet zien. Balda zag daar de lol wel van in en vroeg Luca of hij even naar haar staart kon kijken; het kriebelde zo. Hihihi ….

Luca werd helemaal dol, toen hij ons daar zag bungelen en begon van pure blijdschap al blaffend rondjes te rennen.

Leny en Hanneke kwamen kijken wat er aan de hand was, maar dachten dat Luca alleen maar blij was omdat Balda er was.

“Luca, wat fijn je weer te zien. En wat zie je er goed uit!” Luca was zo blij dat hij ons zag, dat hij mij een dikke hondenknuffel gaf met zijn grote tong. Ik rolde er compleet van ondersteboven. Nu weet je dat ik dol op Luca ben, maar deze lebberpartij vond ik toch wat minder. Maar hij bedoelde het zo lief, dat ik er eigenlijk ook wel weer blij van werd.

Ik kon me niet langer inhouden; ik moest het weten.

“Luca, is Aurélia nog hier of is ze al verder gereisd naar de Provence?”

Luca keek me een beetje droevig aan. “Nee, ze is niet verder gereisd, ze is nog hier.” “Echt waar, o, wat fijn, waar is ze dan?!?” “Het gaat niet zo goed met Aurélia, ze is wat depressief.” “Depressief, zo ken ik haar niet, hoe kan dan nu?” “Ze wil zo graag terug naar de Provence, dat ze ziek is van de heimwee. Helaas is het nog niet gelukt om een lift naar het zuiden voor haar te regelen.”

Dat was een vervelende ontwikkeling. Die arme Aurélia. Was ze terug in Frankrijk, kon ze nog niet naar haar geliefde Provence en was ze ziek geworden van de heimwee. Wat zielig voor haar. Misschien kon ze wel met ons mee, muizen onder elkaar, daar knapt ze misschien wel wat van op.

“Luca, weet jij waar Aurélia is? Ik zie haar nergens.” “Ze zit meestal ergens verstopt in het huis, want ze is bang voor de kat.” “Kat?!? Zitten hier ook alweer katten. Griebeltjes, zijn we dan nergens veilig?”

Luca liep naar het huis, met Balda in zijn kielzog. Voor alle zekerheid bungelden wij maar weer aan haar staart. Met z’n drietjes in de bek van Luca zou een beetje vol worden.

Luca liep direct door naar de badkamer, althans zo noemde hij die ruimte. Met zijn neus duwde hij de klink van de deur omhoog. Wij lieten ons van de staart van Balda vallen en liepen de badkamer binnen.

“Aurélia, waar ben je?” Niets, dus we riepen nog maar eens “Aurélia, waar ben je?”

Plots hoorden we een zacht piepje en ja hoor, daar was ze. Ze keek ons met grote verbaasde ogen aan. “Henriëtte Josephine, Beau, Hortense, zijn jullie het echt? Hoe kan dat nu, wat komen jullie doen? O, wat ben ik blij jullie te zien!”

Luca fluisterde tegen Balda “Zo opgewekt hebt ik haar in tijden niet gezien.”

“Aurélia, ik hoor van Luca dat het niet goed met je gaat. Daarom stel ik voor dat je met ons meegaat. Ik heb geen idee of wij nog in de Provence komen, maar hier wordt je ook niet blij van.” Beau keek er heel overtuigend bij toen hij tegen Aurélia sprak. Zij kon dan ook niet anders doen, dan hem gelijk geven.

Luca was heel blij voor Aurélia, want hij vond het niet fijn dat zijn vriendinnetje zo triest was. Hijzelf vond het eigenlijk wel jammer dat Aurélia wegging, want dan was hij zijn vriendinnetje weer kwijt.

Hanneke riep Balda, dus dat betekende dat ze weer naar huis ging. Snel afscheid nemen van onze lieve Luca, want niemand kon vertellen of we hem weer zouden zien. We gingen met z’n viertjes aan de staart van Balda hangen en … hup in de auto.

Dag Luca, dankjewel voor de goede zorgen voor Aurélia. Dag lieverd, ik hoop tot snel!

 

Leny en Hanneke bedankt voor de foto’s.

 

Hoofdstuk 44

 

 

20180511_082104-COLLAGE

 

 

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 44 – Hortense en de katten

“Wraf, wraf, wraf …… Henriëtte Josephine, Beau, Hortense ….. wraf, wraf, wraf.  Hallo, waar zijn jullie?!?”

Balda kwam hollend en blaffend over het veld met orchideetjes naar de camping toe rennen. Veel mensen op de camping keken verbaasd naar die grote blaffende hond met flapperende oren.

Hij en zij van het grote huis herkenden Balda en keken ook verbaasd. “Balda, lieverd, wat is er aan de hand? Waarom doe je zo opgewonden?”

Balda blafte nog wat, maar ja, dat begrijpen mensen niet. De muisjes waren inmiddels ook gealarmeerd door het geblaf en kwamen heel voorzichtig kijken wat er aan de hand was.

Balda was intussen maar achter de stoelen van hem en haar van het grote huis gaan liggen. Ze had bedacht dat als ze deed of ze sliep, de mensen geen aandacht meer aan haar  zouden besteden. Haar opzet lukte. Hij en zij gingen verder met het drinken van hun koffie. “We brengen Balda straks wel even terug naar Hanneke, als we toch boodschappen gaan doen. Zou ze naast de fiets mee kunnen lopen, wat denk jij?”

“Beau, hoor je dat, ze gaan straks naar het huis van Balda. We moeten proberen met hun mee te gaan. Zouden ze die tassen weer meenemen, dan moeten we daar maar weer in kruipen.”

Snel kropen we weer onder het mensenbed om zo in de ruimte te komen waar de tassen stonden. Net op tijd, want hij van het grote huis pakte de tassen al en hing ze aan die dingen met twee wielen, die fiets schijnen te heten. Balda kreeg een lang touw om haar nek en toen gingen we op weg.

We hadden niet eens de kans gekregen Balda te vragen waarom ze zo opgewonden onze kant op was gekomen. Vanuit de tas hebben we wel naar haar geroepen, maar ze kon ons kennelijk niet horen. Dan maar wachten tot we zouden stoppen.

Hè, hè, eindelijk stopten ze. Door het gaatje in de tas zagen we een groot huis met een mooie tuin. Hij en zij liepen met Balda naar het huis en werden hartelijk ontvangen door Hanneke, een van de vriendinnen van haar van het grote huis. Samen liepen ze naar het terras. Ik hoorde nog net dat hij en zij vertelden dat ze nog een paar dagen op de camping zouden blijven.

Eindelijk konden we uit de tas klimmen en Balda vragen wat er is.

Balda vertelde dat zij haar vrouwtje, Hanneke, had horen zeggen dat ze ’s middags even naar Leny moest. En …… nu komt het, Leny is het vrouwtje van LUCA!

Henriëtte Josephine gaf een gilletje. Ze was zo blij dat ze misschien Luca weer zou gaan zien. En als het een beetje mee zat, misschien Aurélia ook nog.

Balda zei dat zij wel kon zorgen dat ze in de auto van haar vrouwtje konden kruipen. Zij zou ook meegaan, dus dat zou nog gezellig worden.

Op dat moment gaf Hortense een kort maar hoog gilletje. Ze realiseerde zich dat ze door 3 katten werd aangestaard. Hoewel …. een van die drie keek scheel, dus of die echt naar haar keek was nog de vraag. Balda liep er snel op af en gaf een grauw en die 3 potentiële muizenkillers schoten razendsnel weg. Hortense schrok weer van die grauw en zette het op een lopen gezet en rende in paniek het huis in.

Oh, oh, onze dochter in een vreemd huis met 3 loslopende katten.

Balda stelde voor dat wij samen met haar ook het huis in zouden gaan. Ze zou niet te snel lopen, zodat we in haar schaduw mee konden lopen.

Balda kende gelukkig de weg in het huis en zorgde ervoor dat de katten op afstand bleven.

Al snel ontdekten we Hortense, ze had zich verstopt in de keuken. Gelukkig niets aan de hand.

Balda loodste ons weer veilig het huis uit en bracht ons naar de auto van Hanneke. Daar ging ze in de schaduw liggen wachten en liet ons tussen haar poten liggen. Dat lag eigenlijk best wel lekker en al snel lagen we alle vier te slapen.

Bruusk werden we gewekt door Hanneke die Balda bij zich riep en de deur van de auto openhield. “Kom op, meisje, ga je mee, we gaan naar Leny en je vriendje Luca”. Balda aarzelde. “Muisjes, snel, ga aan mijn staart hangen!” We namen alle drie een sprong en hingen toen te bungelen aan de staart van Balda. Hanneke had gelukkig niets in de gaten en stapte ook in de auto. Daar gingen we; op weg naar Luca en misschien was Aurélia er ook nog wel.

 

Hanneke bedankt voor een leuke foto’s.