Hoofdstuk 85

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 85 – Millefeuille

Nadat hij en zij het museum hadden verlaten waren ze weer naar de fietsen gelopen. De jassen werden weer in de tassen gestopt. Wij kropen weer uit de jaszakken en ging onderin de tas bij het gaatje zitten, zodat we niets van de fietsrit hoefden te missen.

Ze fietsten door Millau en we zagen mooie oude huizen, kerken en een markthal. Daar liepen zoveel mensen, dat we blij waren dat ze daar niet stopten.

Door alle indrukken die we op hadden gedaan in het museum waren we een beetje moe geworden. Er was in dat museum ook zoveel te zien en we hadden ook zoveel gehoord. Klapstuk was natuurlijk dat skelet van die dinosaurus. Zo groot. Stel je eens voor, dat je zo’n dier tegen zou komen, brrrr. Gelukkig is de kans daarop niet erg groot, zeg maar gerust nul.

We waren in een diepe slaap, waarschijnlijk ook omdat de temperatuur inmiddels behoorlijk gestegen was. Onderin zo’n tas wordt het dan al snel behoorlijk warm.

Abrupt werden we gewekt. Ze waren bij zo’n lange-broden-winkel gestopt. We konden ze zien liggen en we roken ze ook al. Zo lekker. Zij liep naar binnen terwijl hij bij de fietsen bleef. Niet lang daarna kwam ze met broden en een klein zakje naar buiten.

De broden gingen in de andere tas en dat zakje werd voorzichtig bij ons in de tas op de jassen gelegd.

De fietsen reden nog niet of wij kropen onder de jassen vandaan en inspecteerden het zakje. Het was goed dichtgevouwen; we konden er niet in. Misschien maar goed ook, want het rook zo lekker. Daar zouden wij onze tandjes wel eens in willen zetten.

Hij en zij reden over de brug, vanwaar we de camper konden zien staan. Er stonden ook weer vissers in het water. Zouden die niet bang zijn dat die meervallen in hun tenen zouden bijten? Dapper hoor.

Aangekomen bij de camper zette hij de fietsen tegen het hekje en maakte ze met een slot vast. De tassen zette hij in de bagageruimte onder de camper.

Zij was de camper ingegaan met de broden en het zakje en was bezig koffie en thee te maken. Thee kun je bijna niet ruiken, maar koffie ruikt heerlijk, zo gezellig. Ik zou dat wel eens willen proeven, maar dat zal moeilijk gaan, ben ik bang.

Wij waren inmiddels vanuit het bagageruim via een kiertje onder het keukenkastje in de camper gekomen en konden ongezien ons plekje onder de bank bereiken. Nu maar afwachten.

Nee, wat er gebeurd! Hij had buiten het terrasje gezellig gemaakt met een tafel en stoelen, dus zij ging met de koffie thee EN dat kleine zakje ook weer naar buiten. Wij, toen de gelegenheid het toeliet, er achteraan.

Hij en zij zaten nog niet buiten of met veel lawaai kwamen die honderden eenden ook weer aan waggelen. Ze krioelden om de stoelen en de tafel en maakten een lawaai van jewelste. Maar dat niet alleen, ze liepen ook nog eens op ongegeneerde wijze om wat lekkers te bedelen. Dat doe je toch niet! Ongehoord!

Nu gooien mensen eenden natuurlijk nog wel eens wat brood toe. Jammer, maar wij muizen hoeven daar niet op te rekenen. Mensen gooien ons nooit iets lekkers toe, hooguit een schoen. Maar, ik moet eerlijk zijn, dat heb ik alleen van horen zeggen.

Zij liep nog een keer naar binnen en hij joeg in de tussentijd de eenden richting de rivier. Wij waren kennelijk niet de enigen die zich stoorden aan het kabaal wat die beesten maken.

Terug aan tafel haalde ze uit dat zakje iets was zo overheerlijk rook, dat het water ons uit de bek liep.
Hij vond het ook erg lekker, want hij zei dat dit de lekkerste Millefeuille was, die hij ooit had gegeten. Zij genoot ook, maar in stilte.

Toen ze het voor de helft had opgegeten schoof ze het bordje met nog een groot stuk erop van zich af. Het was te veel. Ze stelde voor de andere helft voor vanavond te bewaren. Hij vond dat een prima idee en bracht beide bordjes naar binnen en zette het in de keuken neer.

Je voelt het aankomen; als de wiedeweerga schoten wij de camper in. Even wachten tot hij naar buiten was en toen …. aanvallen!

Toch moesten we met enige voorzichtigheid eten, want we mochten natuurlijk niet betrapt worden. Wat was dat lekker! We aten onze buikjes vol, bomvol. Met moeite konden we ons terug slepen naar ons holletje onder de bank.

Het duurde dan ook niet lang of we vielen in een diepe slaap. Van de rest van de dag en de nacht hebben we niets meer meegekregen.

Hoofdstuk 84

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 84 – Beet!

Met het opgewonden gekwaak van wel honderd eenden werden we de volgende morgen gewekt. Nu is dat aantal waarschijnlijk wel wat overtrokken, maar het waren er echt heel, heel veel.

Doordat ze zo opgewonden waren, en de deur van de camper nog dicht was, was er aan dat gesnater geen touw vast te knopen. Gelukkig waren hij en zij ook door dat gekwaak gewekt en gingen ze kijken wat er aan de hand was.

Ze vonden die grote hoeveelheid eenden voor de camper alleen maar leuk en gooiden wat stukjes brood naar buiten. Even vergeten de eenden hun opwinding en doken met z’n allen op die paar stukjes brood. Maar omdat het bij lange na niet genoeg was voor allemaal begonnen ze weer opgewonden te snateren.

Wat bleek; iets verderop aan de oever van de Tarn zat een visser. Deze man had verteld dat hij op meervallen zat te vissen. Je weet wel, van die griezels, waarvan de grote exemplaren zo een eend verslinden.

Dat wilden we wel eens zien. Dus zodra het mogelijk was sprongen we naar buiten. Temidden van de eenden konden we veilig de plek van die visser bereiken.

Die visser had een lange stok in zijn hand met daaraan een touw en dat ging dan weer in het water van de rivier.

Inmiddels waren er meer mensen bij komen staan. Plots klinkt er een opgewonden gejoel. Iemand riep: “Beet!”.

Toen de mensen wat uiteen weken konden we zien wat er aan de hand was. In het gras lag een vis. Niet zo’n angstaanjagende grote, maar toch …. Het was een meerval.

Nu denk ik dat deze meerval een muis ook met huid en haar zou kunnen verzwelgen, maar op de een of andere manier lag hij er zo in dat gras maar een beetje zielig bij. Afgezien nog van het feit dat hij zo grote pijnlijke haak in zijn bek had gehad.

Nadat de mensen de meerval van alle kanten met veel “Oh” en “Ah” hadden gekeken, liet de visser de meerval voorzichtig weer los in de rivier.

Wat heeft dat nu voor zin?!?

Beau en ik hadden al wel in de gaten dat de rivier voor ons dus geen veilige plek was, maar nu we met eigen ogen die meerval hadden gezien werden we nog voorzichtiger. Goed uit de buurt van de rivier blijven dus.

Na deze opwinding gingen we weer terug naar de camper. Hij en zij zaten van die lange en knapperige broden te eten, dus de kruimeltjes sprongen ons tegemoet. Lekker hoor. We hoefden geen inspanning te leveren voor een ontbijt.

Na het eten werden de fietsen van de camper gehaald. Beau en ik hadden ons al in het bagageruim gewurmd en waren in een van de fietstassen geklommen. Dat in die tassen klimmen was langzamerhand een routine geworden. Kom maar op met het avontuur.

Zij propte net voor ze weggingen nog even wat jassen in de fietstas, maar gelukkig konden we net wegkruipen in een hoekje van de tas. Nu we maar met z’n tweetjes waren ging dat makkelijk. Toen we nog met z’n vijven waren was het risico groter. Hoewel; ze verwachten geen muizen familie in die tassen.

De fietsen kwamen in beweging en we reden de camping af, over de brug van de Tarn, waar die zwaan zit te broeden.

We hadden wel even aan de bovenkant uit die fietstassen willen kruipen om te kijken of we de camper tussen de bomen en aan de oever konden zien staan. Maar stel dat we dan zouden vallen, midden op een drukke weg met veel auto’s, bussen en vrachtauto’s. Nee, dat zou levensgevaarlijk zijn. Dus moesten we het maar doen met het uitzicht door het gaatje in de tas.

Hij en zij zaten gezellig te praten en we hoorden ze zeggen dat ze naar het museum wilden gaan. Nu hebben wij muizen niets in te brengen, dus ook wij gingen naar het Musée de Millau.

Voor ze stopten hadden we ons al verstopt in de zak van een van de jassen, zodat we zo mee naar binnen konden liften. Zelf lopen was geen optie in zo’n museum , dan worden we meteen betrapt.

Binnen was er heel veel te zien. Millau wordt ook wel de hoofdstad van de handschoen industrie genoemd. Daar was ook veel over te zien. Van schaap tot leren lap tot handschoen. Handschoenen in alle soorten en kleuren, maar ook geuren, want je rook het leer waar ze van gemaakt zijn heel duidelijk.

Naast die handschoenen was er nog veel meer te zien.

Ze vertelden veel over de mensen en de dieren op de Grands Causses, de hoogvlaktes, waar veel schapen worden gehouden voor zowel kaas, vlees als het leer. Maar ook leerde je er veel over prehistorische vondsten van mensen en dinosaurussen. Na het zien van zo’n dinosaurusskelet hadden Beau en ik het wel gezien en gehad. Hij en zij gelukkig ook, dus gingen ze weer richting de uitgang en naar de fietsen.

Foto meerval en handschoenen: Pixabay

Hoofdstuk 83

DSCN8224

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 83 – Wat een griezel!

Toen we de volgende morgen wakker werden was het een stralende dag. De kruidige geur van de Provence was verdrongen door de geur van de rivier de Tarn. 

Hij en zij waren ook vroeg wakker en zij zat voor de camper aan de oever van de  rivier te genieten van het zonnetje en het uitzicht.

Beau en ik waren nog voorzichtig. Nieuwe omgeving hè, je weet niet wat je kunt verwachten. 

Nadat hij in camper wat koffie had gezet (wat ruikt dat toch lekker) en naar hun plekje aan het water was gelopen, dorsten wij ook tevoorschijn te komen. 

We zaten op de drempel van de camper naar buiten te kijken toen er met veel gesnater een heel stel eenden aan kwamen lopen.

“Hé, hallo, jullie zijn nieuw hier! Welkom! Als ik me niet vergis zijn jullie muizen, toch?!?” Het was een van de eenden die het woord tot ons richtte.

We merkten al snel dat het geen kwaad kon om naar buiten te gaan en een praatje met de eenden aan te knopen. Ze wisten best veel van de omgeving. Dat kwam omdat ze regelmatig naar andere plekken in de buurt vlogen. Toch wel makkelijk die vleugels. Geeft je wel erg veel vrijheid.

Een van die eenden waarschuwde ons heel voorzichtig te zijn met het zwemmen in de rivier. Nu zijn wij geen watermuizen, dus zou het niet in ons opkomen om die rivier in te springen. Maar je wilt niet onbeleefd zijn, dus vroegen wij “Hoezo?!?”

Het verhaal wat die eend vertelde was zo eng, zo gruwelijk, dat ik er gewoon moeite mee heb het te vertellen.

Er leven in die rivier vissen. Nu denk je natuurlijk; nou en. Dat snap ik. Je denkt bij zo’n mooie heldere en koude rivier als de Tarn dan al snel aan een forel of baars of iets in die richting. Die zullen er ook wel zijn, maar die zijn toch niet zo angstaanjagend als de vis waar de eenden het over hadden.

Zij hadden het over de meerval!

Die beesten kunnen heel groot worden en hebben dan ook een stevige eetlust. Als ze een beetje trek hebben kunnen ze in één hap een hele eend naar binnen werken! Wat een griezel!

Nu schijnen de meervallen die gezien worden bij de camping niet zo heel erg groot te zijn, want het water is hier niet diep genoeg. Maar volgens de eenden zouden deze meervallen een muisje van ons formaat zo hap-slik-weg doorslikken. Doodeng toch!

Je begrijpt, dat Beau en ik nu zeker niet het water in zouden durven. Nog niet eens heel voorzichtig met één teentje.

De eenden besloten verderop bij andere campers te gaan kijken of ze daar wat eten konden bietsen.

Beau en ik gingen naar het gras, waar ook hij en zij zaten. Zolang die twee daar zaten konden wij ook wel even in het zonnetje gaan zitten dommelen. Wel in de schaduw van wat riet of een pol gras en op een redelijke afstand tot de rivier. Die meeval heeft gelukkig geen pootjes, dus hij kon niet anders dan gewoon in het water blijven.

Vanaf ons plekje in het gras hadden we mooi zicht op de brug.

Onderaan een van de brugpijlers zagen we iets wits. Een eend kon het niet zijn, want daar was het veel te groot voor.

We hoorden dat hij en zij het er ook over hadden. Het was een zwaan op haar nest.

Wat dapper om daar een nest te bouwen, zo onder aan die brug en dan ook nog eens zo dicht bij het water, waar dus die enge meervallen in huizen.

Voor moeder zwaan zal die meerval dan misschien geen gevaar zijn, maar wat als de kleintjes straks uit het ei kruipen en gaan zwemmen in de rivier. Dat is toch een warm-buffet voor die meerval.

We hoorden hem zeggen dat hij hier graag nog een dag extra zou willen blijven. Konden ze fijn gaan fietsen, naar het dorp en naar het viaduct.

Viaduct? Geen idee, waar hij het over heeft. Maar Beau en ik vinden het wel “ruiken” naar een avontuur.

We kunnen dus op ons gemak wat in de buurt scharrelen, zonder bang te zijn dat hij en zijn zonder ons vertrekken.

Misschien dat de eenden straks nog even terug komen. Kunnen we eens aan hun vragen wat dat Viaduct voor iets is.

Leuk hoor, weer eens in de tas mee op de fiets. Dat wiegt en deint zo lekker.

Foto meerval: Pixabay

Hoofdstuk 82

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 82 – De deur gaat dicht

We werden pas wakker nadat hij en zij de camper al uit waren. De deur stond open en het gekakel van de dames Kip had ons gewekt. Best gezellig hoor, als die dames zo tokken. Dat gaan we straks thuis vast missen. Net zoals al die andere geluiden en natuurlijk de geur, de geur van de Provence. Praat ik maar niet eens over Hortense, Aurélia en Sophietje. Niet aan denken, want of ik dan nog wel naar huis wil ……

Beau merkte dat ik alweer in tweestrijd stond.

“Meisje, als je hier wilt blijven, begrijp ik dat best. Dan blijven we gewoon hier, hoor. Jij mag kiezen. Mijn huis is waar jij bent. Weet wel, wat je nu kiest is definitief. Of we ooit nog de kans krijgen om terug te gaan is ongewis.”

Wat een lieverd is het toch. Hij laat de keuze aan mij. Moeilijk hoor. Het meest van alles mis ik onze dochter, Hortense. Maar zij is zover hier vandaan, in Rennes-le-Château, dat ik bang ben dat we haar toch nooit meer zullen zien.

Hij en zij van het grote huis zijn heel goede vrienden van het baasje en bazinnetje van Kenzo dat ze vast nog wel eens teruggaan. Misschien, heel misschien kunnen we dan nog wel eens meereizen naar hier.

Mijn besluit staat vast; Beau en ik gaan naar huis, terug naar Nederland.

Voor de laatste keer hier stappen we uit de camper en lopen in de richting van het huis.

Kenzo, Aurélia en Sophietje zaten al op ons te wachten. Ze hadden allerlei lekkere dingen onder de grote kastanjeboom gelegd, zodat we in het zonnetje, maar in de luwte van Kenzo voor de laatste keer samen konden smikkelen.

Hij en zij zaten samen met hun vrienden en Fabrice in de buitengalerij ook te eten.

Verderop liepen Starsky en Ramon samen door de weide te stappen. De geiten zaten natuurlijk binnen hun eigen omheining en knabbelden wat aan blaadjes die door het gaas staken. Bullit en Canelle lagen, net als Titus in het ochtend zonnetje te luieren. Wat een vredige rust.

Beau stond als eerste op. “Kom meisje, als je naar huis wilt, moeten we nu naar de camper, anders komen we misschien te laat.”

Hij heeft gelijk, we moeten naar de camper. Ik ga niet weer iedereen af om gedag te zeggen. Dat trek ik niet. Kenzo, Aurélia en Sophietje gedag zeggen is al genoeg.

Met z’n vijfjes lopen we naar de camper. Nog één keer een natte neus van Kenzo, nog één keer dag Sophietje, nog één keer adieu Aurélia.

“Lieverds, passen jullie goed op elkaar. Ik hou zoveel van jullie, naar dit moet ik doen. Vraag niet waarom, maar het is een gevoel, diep van binnen.”

Beau gaf me een duwtje. Ik moest de camper in.

We hadden niet veel later moeten instappen, want hij en zij kwamen ook naar binnen. De deur ging dicht. De andere mensen stonden naast de camper. De motor begon te grommen. Hij en zij riepen nog wat door het open raam en toen kwam de camper in beweging.

Beau en ik kropen snel via de bank omhoog en vanachter het raam zagen we het huis met de blauwe luiken, de grote kastanjeboom en alle dieren die ons lief zijn steeds kleiner worden.

Toen we het eind van het pad naderden maakte de camper een bocht en was alles uit het zicht.

Met een hol gevoel in onze maag, hoewel we geen honger hadden, kropen we terug naar ons plekje onder de bank. Ik weet; dit wil ik zelf, maar toch ..

Uren heb ik liggen slapen. Beau lag naast me, maar hij wilde niet slapen. Hij waakte over mij. Ik kan niet genoeg benadrukken wat een lieverd het toch is.

Toen ik wakker werd, zaten hij en zij voor in de camper gezellig te praten. Zij zei dat ze heel graag nog een keer naar Bonnac-la-Côte wilde, hoewel dat eigenlijk uit de richting ligt. Hij vindt dat prima, want dan kunnen ze ook nog even naar Millau.

Geen idee waar ze het over hebben. We zullen het wel zien.

Het duurde een hele tijd voor de camper stopte. Waren we al in Millau of was het gewoon een stop onderweg.

Dat laatste bleek het geval. Hij en zij wilden even “de benen strekken”!?!

Ze gingen gewoon even wandelen. Zeg dat dan gewoon.

Voor alle zekerheid bleven wij maar in de camper. Wel klommen we via de bank naar boven, zodat we naar buiten konden kijken.

Geen idee waar we waren, maar in de verte zagen we een langgerekte bergketen waar de wolken om de top zweefden. In het veld zagen we her en der een vergeten zonnebloem. Wat een geweldig uitzicht.

Toen we weer reden hoorden we hem vertellen dat die bergketen deel uit maakt van het Natuurpark Luberon. Daar groeien kurkeiken en steeneiken. De wortels van die steeneiken zijn een goede voedingsbodem voor truffels. Truffels, hmmmmmm, daar zijn wij, muizen, dol op! Maar er groeien ook heel zeldzame planten. En het is een toevluchtsoord voor bedreigde dieren als haviksarenden, aasgieren, slangenbuizerds en de grootste hagedissen van Europa. Dat is dan weer minder, want al die dieren lusten ook best een muisje.

We reden nog een hele tijd. Het uitzicht varieerde. Dan bergen in de verte, dan weer heel dichtbij, maar ook uitgestrekte vergezichten. Velden vol bolletjes, wat lavendelplanten bleken te zin. Vaag kon je zelfs de geur nog opvangen. Later veranderde het landschap weer en kreeg iets parkachtigs, wat uiteindelijk weer overging in ruw en ruig, grauw gebergte. We naderden Millau. Een mooi stadje. Onze camping lag geweldig, aan de oever van de Tarn.

Hoofdstuk 81

 

 

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 81 – Gelukkig, niets aan de hand

Het grote mensenkind had ons stevig in zijn handen. Waar zou hij ons heen brengen en belangrijker nog, zou hij ons iets aandoen?

We maakten ons grote zorgen. Het mensenkind liep naar de zijkant van de stallen. Klom over het hek en liep richting de bosrand.

Bosrand?!? Grote griebels, daar zaten overdag die zwijnen! Nee, alsjeblieft niet in het bos!

Hij keek om zich heen. Misschien zocht hij die zwijnen om ons aan hen te voeren. Zouden die zwijnen eigenlijk wel muizen lusten?

Waarschijnlijk was het niet de goede plek, want hij liep het bos weer uit richting de stallen. Daar aangekomen bekeek hij ons nog eens goed, van heel dichtbij. Eng hoor, want wat was hij van plan? Beau en ik waren doodsbang.

Wat hij van plan was; nu ….. eigenlijk niets.

Bij de opgestapelde hooibalen naast de paddock zette hij ons op een van die balen. We waren met stomheid geslagen.

Omdat hij naar ons bleef kijken, bleven we beleefdheid halve maar even zitten terugstaren. Toen dat naar ons idee lang genoeg had geduurd hebben we het op een rennen gezet. Snel weg.

Ramon en Starsky kwamen aanlopen om te zien wat er toch allemaal aan de hand was. Toen ze ons weer zagen waren ze zeer opgetogen en begonnen ze blij te hinniken.

“Jullie zijn weer terug, mooi. Het mensenkind heeft jullie dus alleen uit de emmer gehaald. We hadden ook eigenlijk niet anders verwacht. Onze mensen zijn altijd zo aardig.”

Door alle spanning waren we een beetje hongerig geworden. Helaas hadden de paarden hun emmers leeggegeten. Zelfs die brokken, die we niet lekker vinden, hadden we nu toch wel willen eten.

“Waarom eten jullie niet wat van dat ding waar Sophietje onlangs aan hing te slingeren. Dat is nog lang niet op en Sophietje scheen het erg lekker te vinden.”

Goed idee. De paarden hielpen ons om erbij te komen. Binnen de kortste keren slingerden Beau en ik, al snoepend van de zaden, pitten en honing, aan dat vogelbolletje.

Ook Aurélia was via een omweg weer terug bij de stallen en riep ons vanaf de grond. Ze had geen zin om ook te komen snoepen. Voor vandaag had ze genoeg avontuur gehad. Het maakte haar niet uit wat wij deden, maar zij wilde en ging terug naar het huis.

Inmiddels hadden wij ons buikje ook weer vol, dus vroegen we de paarden ons even te helpen om naar beneden te gaan.

Samen met Aurélia liepen we terug naar het huis, na eerst natuurlijk weer afscheid te hebben genomen van Starsky en Ramon.

Terug bij het huis zagen we dat de mensen van het huis met Fabrice en hem en haar aan tafel zaten te eten. Het was heerlijk weer, dus niemand maakte er aanstalte om naar binnen te gaan. Een vuurtje hield alles en iedereen warm, voor zover dat nodig was met dit weer.

Tot laat in de avond zat iedereen nog buiten. De schapen waren zich aan het voorbereiden voor de nacht en gingen dicht bij elkaar staan.

Hun geblaat en gesnuif in combinatie met de geur van de Provence, die ’s avonds nog kruidiger was dan overdag, maakte dat we ons wel heel prettig voelden. Misschien dat we hier dan toch maar moesten blijven of ……. nee, ik wilde eigenlijk toch wel weer naar huis.

Zo’n avondje extra met familie, vrienden en een vol buikje was wel heel erg fijn, maar ons eigen huis lonkte.

Volgens Kenzo hoefden we vannacht met al die schapen en honden niet bang te zijn voor de zwijnen. De herdershonden zouden ze wel verjagen en anders sloegen ze wel alarm, zodat Fabrice ze dan zou komen verjagen. Het vuur hield ze ook vast wel op een afstand. Veel dieren, die in het wild leven, zoals ook deze zwijnen moeten er niets van zo’n vuur hebben.



Na een prachtige zonsondergang viel de nacht in en de twinkelden de sterretjes hoog aan de hemel. Het werd tijd voor Beau en mij om de camper op te zoeken. Dit zou echt onze laatste nacht worden in de Provence.

Zonder problemen bereikten we de camper en klommen via het trapje naar binnen. Op ons eigen plekje onder de bank kropen we dicht tegen elkaar aan en vielen al snel in een diepe slaap. We hoorden hem en haar niet eens binnenkomen.

Alexandra en Gerard bedankt voor de foto’s van het vuur en de zonsondergang..

Overige foto’s: Pixabay

Hoofdstuk 80

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 80 – Schapen

Nu we toch nog even bleven en met zoveel schapen in de buurt, wilde ik daar toch ook wel eens kennis mee maken. Thuis had ik nog nooit schapen in de tuin gezien, dus die kans moest ik nu grijpen.

Beau had eigenlijk geen zin om mee te gaan, maar hij dorst het niet aan om mij alleen te laten gaan.

Achteraf ben ik daar wel blij om hoor. Ik vind die schapen maar enge beesten, althans die grote. Er was ook een ram bij die kudde en die had een bel om zijn nek, de belhamel. Daar dorst ik helemaal niet in de buurt te komen. Ik stapte dus maar op een van de dames af.

Ik stelde me netjes voor, maar zij keek een beetje intimiderend naar beneden en zweeg. Plots haalde ze diep adem, deed haar bek open, toen kwam haar tong naar buiten en vervolgens begon ze oorverdovend te blèren!?!

Als aan de grond genageld bleven Beau en ik staan. Wat een eng, griezelig wezen. En ze bleef maar blèren en blèren.

Misschien niet netjes, maar Beau en ik zijn tijdens haar geblèr gewoon weggerend. Niet gewacht tot ze uitgeblèrd was, nee, gewoon wegwezen.

Wat ze met dat geblèr wilde is me een raadsel. Het was voor ons niet te begrijpen. Het was alleen maar lawaai.

We renden terug naar het huis en kwamen op het pad nog een jong schaap tegen. Dat blèrde ook wel, maar veel zachter. Het was meer mekkeren, zoals de geiten ook doen.

Heel leuk en aardig die schapen, een hele ervaring, maar voor mij hoeft het niet.

Toen we het aan Aurélia en Sophietje vertelden rolden zij over de grond van de pret. Het bleek dat Aurélia die beesten ook maar niets vond en dat ze zich er al over verbaasde dat wij kennis wilden gaan maken. Sophietje vond dat het er wel heel erg veel waren en had daarom maar van een kennismaking afgezien.

De mensen zaten aan de tafel en genoten van een glaasje wijn. O, daar zou ik ook best wel weer eens een paar druppels van willen oplikken. Niet teveel natuurlijk, want ….die kater hè!

Kenzo kwam naar ons toe en hoorde ons schapen avontuur geamuseerd aan. Hij vond ze alleen leuk als hij ze een beetje kon opdrijven. Anders ook niet.

We lagen lekker in de schaduw van de grote kastanjeboom tussen de voorpoten van Kenzo, toen het vrouwtje van Kenzo zei dat ze de paarden ging voeren.

Ze liep naar de schuur en pakte twee emmers waar ze wat brokken en een handje maïs in gooide.

Toen ze langs de kastanje liep bedacht ze, dat ze nog wat vergeten was. Ze zette de emmer vlak naast Kenzo neer en liep weg.

Ik zei: “Die emmers met brokken zijn voor Starsky en Ramon. Als we nu eens ……”

“O nee” zei Sophietje “jullie doen maar, maar ik doe niet mee. Nooit; die paarden zijn mij te groot.”

Beau, Aurélia en ik, klimmen op Kenzo die nog steeds naast de emmers lag. Namen een sprong en doken zo in de brokken.

Het vrouwtje van Kenzo kwam weer aanlopen en wij drietjes verstopten ons even onder de brokken.

Op weg naar de paarden deinden we lekker in die emmer met brokken. Wat zullen Starsky en Ramon zeggen als ze ons straks in die emmer zien. Ze weten tenslotte niet beter dan dat we weg gaan.

We waren bij de paarden aangekomen en Kenzo’s vrouwtje begon tegen de paarden te praten en ze op hun hals te kloppen. Je kon zien dat ze blij waren haar weer te zien. Al pratend liep ze richting de stallen; de paarden achter haar aan. Zij zette de emmers neer en liep weg om de grote waterton nog wat bij te vullen.

Starsky en Ramon kwamen natuurlijk op de brokken af. Ramon begon te knabbelen aan de brokken in zijn emmer, maar Starsky keek stomverbaasd in zijn emmer.

“Hè, wat is dat nu?!? Ramon, moet je zien wat er in mijn brokken zit!”

Ramon kwam kijken en beide paarden hinnikten van plezier en bleven maar in de emmer staren.

We hadden er wel uit willen komen, maar dat lukte niet, want het vrouwtje van Kenzo kwam kijken, waarom die paarden zo in die emmer stonden te staren.

“O nee, Starsky en Ramon, jullie hebben gasten voor het diner vanavond” lachte ze “Pas maar op, want voor je het weet hangt er een muis aan jullie neus. Kijk maar wat je doet. Ik haal de jongens wel even, die halen die muisjes wel uit jullie voer. Ik kom er niet aan, kijk wel uit.”

Binnen de kortste keren was ze terug met twee mensenkinderen. Een grote en een kleintje. Dat grote mensenkind deed een greep in de emmer en voor we het in de gaten hadden had hij mij te pakken. Aurélia en Beau renden als dollen in het rond. Maar ook Beau zag geen kans te ontsnappen en werd gepakt. Aurélia dook in de brokken, maar ook zij werd gepakt, door het kleine mensenkind.

Het kleine mensenkind had iets kleinere handen, waardoor Aurélia kans zag te ontsnappen. Luid piepend rende ze weg. Ze had het gered.

Wij zaten nog ieder in de hand van het grote mensenkind. Wat ging er met ons gebeuren, waar bracht hij ons heen. Van Beau weet ik het niet, maar ik bibberde van angst.

Alexandra bedankt voor de foto van de muisjes

Foto’s schaap en lammetje: Pixabay

Hoofdstuk 79

Henriëtte Josephine, maar zij noemt me MUIS

Hoofdstuk 79 – Uitstel; voor even

We waren blij dat we dicht bij Kenzo zaten, want Bullit lag ons vanaf zijn hoge ligplaats strak aan te kijken. Van de geiten hadden we niets te vrezen. Ze mekkerden wel wat, maar ze waren ons goed gezind.

Hij en zij zaten nog steeds met hun vrienden te praten, maar alles duidde erop dat het vertrek steeds dichter bij kwam.

We wisten niet of we al de camper in moesten gaan of dat we nog even buiten konden blijven. We hielden hem en haar dan ook goed in de gaten.

Eindelijk stonden ze op. Samen met Kenzo, Aurélia en Sophietje begaven wij ons snel naar de camper. Hij en zij kwamen met hun vrienden ook naar de camper. Nog één keer, dag lieve, lieve Aurélia, meisje wat zal ik je missen. Dag Sophietje, ik hoop dat je het geluk zal vinden. Dag lieve Kenzo, grote vriend, we vergeten je nooit. Nog één keer omkijken en dan de camper in.

Met natte, glimmende ogen keken Beau en ik elkaar aan, het was zover.

Hij en zij stonden met hun vrienden naast de camper en namen afscheid van hun vrienden. Tranen vloeiden.

Hij zei plots resoluut: “Kom, we gaan” en ging de camper binnen. Zij draalde nog wat en wilde net naar binnen gaan, toen ………

Ting, ting, tingelingeling ……

Over de muur die het terrein van het huis omringde kwamen honderden schapen het terrein op lopen. Het tingelende geluid kwam van de belhamel; een ram met een bel aan een riem om zijn nek, die de kudde aanvoert. Later hoorde ik dat het een gecastreerde ram was. Ook sneu voor hem. Zeker met al die dames in de buurt.

Fabrice, de herder kwam op bezoek.

Fabrice zwierf met zijn kudde schapen door de Provence en had her en der zijn adresjes, waar hij zijn drankje dronk en een warme maaltijd kreeg. Zo ook bij de vrienden van hem en haar.

Hij en zij stapten weer uit en werden hartelijk begroet door Fabrice, ze kenden elkaar, dat was duidelijk. Het was een heel spektakel, want er kwamen meer en meer schapen over de muur. Fabrice vertelde later dat de kudde wel uit 600 schapen bestond.

De vijf mensen liepen naar het huis om even bij te praten.

Wij hadden geen idee hoe lang het uitstel van vertrek zou duren. Omdat we niet het risico wilden lopen dat we te laat terug zouden zijn in de camper bleven we op ons plekje onder de bank zitten. Bovendien; als we nu naar buiten gingen, zouden we straks weer afscheid moeten nemen. En afscheid nemen doet zo’n pijn.

Plots hoorden we buiten roepen. Het was Aurélia. Ze was helemaal opgewonden.

“Henriette Josephine, Beau, kom eens, ik moet jullie wat leuks vertellen! “

We kwamen onder de bank vandaan en liepen naar de deur van de camper.

Aurélia stond onderaan het trapje en ze lachte breeduit. Wat zag ze er blij uit.

“Wat is er aan de hand Aurélia, je kijkt zo blij!”

“Ik was in de buitengalerij toen jullie en mijn mensen met Fabrice naar binnen kwamen. Ze gingen aan de tafel zitten praten. Toen hoorde ik jullie mensen overleggen. Ze zeiden dat ze nog wel een nachtje zouden kunnen blijven, omdat Fabrice er is. Jullie hoeven dus nog niet weg. Daar ben ik toch zo blij om. Afscheid nemen ligt me zo zwaar op de maag.”

Dat was verrassend nieuws. Dus we zouden nog even blijven. Wel een beetje dubbel, want we hadden ons net helemaal op het afscheid voorbereid en ons voor de aanstaande reis geïnstalleerd. Maar het was natuurlijk wel heerlijk dat we nog even bij Aurélia en Sophietje en niet te vergeten Kenzo konden zijn. Dus alle praktische bezwaren aan de kant en genieten van het moment.

We sprongen uit de camper en liepen met Aurélia naar de buitengalerij. Wel heel voorzicht, want we hadden bij al die schapen van Fabrice ook honden zien lopen. Maar Aurélia vertelde ons dat die honden niet binnen de hekken rond het huis kwamen, maar bij de schaapskudde bleven. We zouden ze hooguit vannacht rond de camper kunnen horen scharrelen. Altijd beter dan die enge grote zwarte zwijnen.

Eigenlijk vond ik het best fijn om nog eventjes hier te blijven. Het was hier zo fijn, zo warm. Bovendien begon de geur van de Provence zo vertrouwd te ruiken. Nu begreep ik ook wat Aurélia altijd bedoelde als ze het over de geur van haar thuis had.

 

Alexandra bedankt voor de foto’s